Middeleeuwse innovaties

In mei 2010 startte Erik Kwakkel zijn onderzoek naar de manier waarop de technologische innovaties in middeleeuwse manuscripten verband houden met culturele veranderingen. Bijna 1000 jaar geleden, in het tijdperk van vernieuwing dat we de "Twaalfde-eeuwse renaissance" noemen, toen boeken nog met de hand werden geschreven, verscheen een nieuwe communicatietechnologie: een nieuw format voor boeken. Dit hield in dat er een geheel nieuwe paginaopmaak kwam, waarbij veel nieuwe leeshulpmiddelen geïntroduceerd werden, zoals een indeling in alinea's en het gebruik van aanhalingstekens en voetnoten. Deze innovatieve veranderingen zorgden ervoor dat een tekst gemakkelijker te lezen en te begrijpen was. De modificaties traden geleidelijk op en op die manier veranderde de leeservaring van de middeleeuwers drastisch tussen 1075 en 1225. Een veranderingsproces met blijvende gevolgen: "Het is in feite hetzelfde boek als dat we vandaag de dag nog in handen hebben," aldus Kwakkel.

Kwakkel


Lettervoetjes
 
De bronnen die Kwakkel voor zijn onderzoek gebruikt, bestaan voornamelijk uit overgeleverde middeleeuwse manuscripten. Voordat Kwakkel hiermee echter de relatie tussen de pagina-opmaak en de leeservaring bekeken kan worden, moet eerst duidelijk zijn uit welke periodes de bronteksten precies komen. Voor het indelen van deze teksten heeft Kwakkel een goede manier gevonden. Taal en vorm van teksten in middeleeuwse boeken veranderen namelijk geleidelijk, net zoals gesproken taal na verloop van tijd anders kan worden. Kwakkel kijkt hierbij naar de vorm van de teksten. Hij gaat heel systematisch te werk: foto's die van verschillende handschriften genomen zijn worden door hem nauwkeurig bekeken en de gegevens die hij hierbij ontdekt, voert hij in in een database. Een bijzondere eigenschap van deze database is dat deze door Kwakkel voor het eerst in de wetenschap wordt gebruikt voor het indelen van manuscripten. Dit is dan ook een van de innovatieve elementen van zijn onderzoek. Tijdens het invoeren let Kwakkel op verschillende details, zoals de grootte van de letters, de indeling en organisatie met nummers, de kleur en decoraties, maar ook op de oorsprong van het manuscript. Vooral aan de hand van de lettervoetjes van de manuscripten kan veel informatie verkregen worden. De richting waarin deze voorkomen geeft namelijk aan uit welke periode het handschrift komt. Omdat Kwakkel reeds gedateerde teksten gebruikt, kunnen eigenschappen worden afgeleid die kenmerkend zijn voor een bepaalde periode. Wanneer hij de handschriften op chronologische volgorde sorteert, zijn er geleidelijke veranderingen en ontwikkelingen in de vorm merkbaar. Deze kennis kan later in het onderzoeksproces worden gebruikt om niet-gedateerde teksten bij het juiste tijdvak in te delen. Behalve Kwakkel zelf werken er nog twee anderen mee aan dit onderzoek, namelijk een aio (assistent in opleiding) en een postdoc. Zij kijken ook naar de manuscripten, maar leggen de nadruk op andere aspecten ervan. De eerstgenoemde kijkt naar de relatie tussen de vorm van het schrift en de achtergrond van de lezersgroep van dat schrift. De tweede bekijkt de inhoud en de vorm van geschriften, en zet deze tegenover elkaar; hij bekijkt de ontwikkeling van de vormverschillen tussen handschriften en de ontwikkeling van de teksten die erin staan. Bij dit laatste wordt vooral geduid op het verschil in vorm van boeken met verschillende inhoud, zoals bijvoorbeeld de Bijbel of een boek over Aristoteles. Voor Kwakkel speelt bij dit onderzoeksproject samenwerking tussen de onderzoekers een belangrijke rol. Samen kunnen ze een bijdrage leveren aan elkaars werk. Vooral in de komende jaren zal de samenwerking van belang zijn. Nu zijn de onderzoekers namelijk vooral los van elkaar aan het werk en zorgt ieder voor zijn eigen onderdeel. Maar wanneer alle informatie verzameld is, kunnen de drie onderzoekers hun bevindingen bij elkaar samenvoegen en gezamenlijke conclusies trekken.
 
Ingeving onder de douche
 
Kwakkel is nog niet lang met zijn onderzoek bezig. Toch stuitte hij na zes weken op een fundamenteel probleem. Hij begon met het onderzoeken van 500 handschriften. Maar van die 500 handschriften bleek 90 procent afkomstig uit kloosters. Slechts 10 procent is geschreven in de scholen, en zelfs dat is niet helemaal zeker. Van de meeste handschriften die tot deze 10 procent behoren is namelijk alleen zeker dat ze niet uit de kloosters afkomstig zijn. De handschriften die Kwakkel had, gaven dus geen representatief beeld van de maatschappij. Daarnaast verwacht hij dat de innovaties niet vanuit de kloosters, maar vanuit de scholen kwamen. Dit was een fundamenteel probleem, omdat het juist om de te onderzoeken handschriften zèlf ging. Na enkele dagen over dit probleem getobd te hebben, kreeg Kwakkel een ingeving terwijl hij stond te douchen. Hij had namelijk wel schoolhandschriften in zijn bezit, alleen waren deze niet precies genoeg gedateerd. Hij wist alleen dat deze schoolhandschriften ergens in de twaalfde eeuw geschreven waren. Toen kwam Kwakkel op het idee om de kloosterhandschriften, waarvan hij wel een precieze datering had, te gebruiken als maatstaf aan de hand waarvan hij de handschriften uit de scholen zou kunnen dateren. Dit deed hij door van de kloosterhandschriften zeer gedetailleerde kenmerken in te vullen in de hierboven genoemde database. Aan de hand van deze gegevens zal Kwakkel vervolgens in staat zijn de schoolhandschriften te dateren en vervolgens zal hij die kunnen gaan gebruiken voor zijn onderzoek. Kwakkel besteedt zijn werktijd nu met het in de database invoeren van de gegevens over de kloosterhandschriften. Het zal hem meer tijd kosten dan hij aan het begin van zijn onderzoek voorzien had, maar het probleem is opgelost. Een heel ander probleem dat kan opduiken tijdens een onderzoek, is het feit dat concurrerende onderzoekers eenzelfde onderzoek doen. Om dit te voorkomen publiceert Kwakkel veel en geeft hij ook veel lezingen. Maar op dit moment is het zeker dat niemand een vergelijkbaar onderzoek doet. Dat betekent dat Kwakkel juist veel andere onderzoekers kan helpen: "Dat heb ik altijd al gedaan. Het dateren is namelijk heel moeilijk. Er zijn weinig paleografen die heel precies kunnen dateren, die zich daar geschikt voor vinden. Ik kan dat toevallig vrij goed. Daarom bedien ik veel mensen van dateringen en observaties." Hoewel Kwakkel met zijn eigen onderzoek nog in de beginfase is, kan hij andere onderzoekers al helpen aan de hand van zijn bevindingen. Zo helpt hij bijvoorbeeld Amerikaanse onderzoekers met het dateren van medische manuscripten voor hun onderzoek. Op de vraag of hij nog andere problemen verwacht, antwoordt hij: "Ik ben nog met het eerste probleem bezig. Ik denk dat het goed zal gaan. Op basis van het feit dat ik die medische handschriften vrij precies kan dateren verwacht ik dat hetzelfde gebeurt met de schoolhandschriften."
 
NWO aan zet
 
Bij het ordenen en op chronologische volgorde zetten van de bronnen moet dus goed gelet worden op details. Aangezien sommige elementen, die kenmerkend zijn voor een bepaalde periode, niet altijd op één enkele bladzijde van een manuscript aanwezig zijn, moet soms de gehele tekst bekeken worden. Hiervoor kan een reis naar het buitenland noodzakelijk zijn, omdat Kwakkel van veel boeken slechts de kopieen van een aantal pagina's tot zijn beschikking heeft. Gelukkig heeft Kwakkel hiervoor voldoende geld tot zijn beschikking: "We hebben ook heel veel geld om te reizen. Mijn medewerkers gaan binnenkort naar Frankrijk, naar een bibliotheek daar om naar de echte handschriften te kijken." Maar waar komt dit geld vandaan? Hoewel een onderzoek altijd begint met een idee, is de aanvraag voor financiering de eerste daadwerkelijke stap in het onderzoek. Wanneer een onderzoeker denkt een goed idee te hebben, stuurt deze een aanvraag voor financiering naar de NWO: de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. NWO geeft geld aan onderzoekers waarvan zij vindt dat ze daar recht op hebben.
In het jaar dat Kwakkel zijn voorstel indiende, waren er 90 voorstellen bij de NWO aangemeld. Daarvan hebben er slechts 10 daadwerkelijk financiering gekregen. Om hun beperkte budget zo goed mogelijk te besteden, moet de NWO dus behoorlijk streng selecteren. De NWO selecteert allereerst op de innovativiteit van het voorgestelde onderzoek. "Je krijgt geen geld voor meer van hetzelfde," aldus Kwakkel. Met zijn onderzoek probeert hij om opnieuw de relatie tussen de vorm van het boek en de maatschappij uit te vinden. "Het is een uitprobeersel en dat is het innovatieve." Daarnaast selecteert NWO op de mate van internationalisering die met een voorgesteld onderzoek gemoeid is. Kwakkel heeft onderzoek gedaan aan de University of British Columbia, en dat bracht hem in kennis met Noord-Amerikaanse onderzoeksstrategieën. Naar eigen zeggen heeft hem dat zeker geholpen om zijn onderzoek gefinancierd te krijgen.

 
Paleografie
Paleografie is de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van oude schriftvormen, het ontcijferen van oude teksten en het onderzoek naar tijd en plaats van het ontstaan van manuscripten. Als onderdeel van de algemene cultuurgeschiedenis en als hulpwetenschap voor alle disciplines die te maken hebben met geschreven bronnen is de paleografie van grote betekenis. Dit omdat men in de handschriften veel gegevens vindt over samenhang tussen en onderlinge beïnvloeding van verschillende cultuurcentra. Een paleograaf kijkt vooral naar de stof waarop geschreven is, naar de schrijfgereedschap, de inkt en met name naar de lettervormen, de interpunctie, de regellengte en afstand.
 

Zelfpromotie
 
Die Noord-Amerikaanse strategie zit hem niet alleen in de manier van onderzoek doen. Kwakkel publiceert namelijk in het Engels, om op deze manier een veel groter publiek te bereiken. Dat is belangrijk om te voorkomen dat anderen met een soortgelijk onderzoek gaan beginnen, en zorgt tegelijkertijd voor een grotere bekendheid. Kwakkel: "Ik ben in 2003 omgegaan. Onmiddellijk kreeg ik meer lezers en reacties. Dingen werden in het Engels in bundels herdrukt. En in Nederland heb je misschien maar 500 mediëvisten. Ik wil er meer over lezen. Nu kan je de wereld over. Ik wil mezelf ook neerzetten als internationaal mediëvist. Ik spreek veel in het buitenland en dat heb je niet als je alleen in het Nederlands publiceert." Een nadeel bij publiceren is wel dat het vaak minstens een jaar duurt eer een geschreven artikel daadwerkelijk gepubliceerd is in een wetenschappelijk tijdschrift. Daarom moet Kwakkel er nog op een andere manier voor zorgen dat wetenschappers niet met eenzelfde onderzoek beginnen. Hij doet dit door van tevoren bekend te maken waar hij mee bezig gaat zijn. Ook bij dit onderzoek heeft hij dat gedaan, hoewel de officiële website die Kwakkel liet maken, lang op zich liet wachten. "Ik heb een ander primitieve website heel vroeg al gehad en het adres opgestuurd naar heel veel mensen zodat ze konden zien wat ik deed. Ik heb ook heel veel samenvattingen verstuurd naar tijdschriften. Ik heb veel lezingen gedaan in de eerste periode en elke keer aan het begin van de lezing gerefereerd aan het project. Ik heb wel geleerd dat je niet zomaar onderzoek moet doen, je moet jezelf promoten. Dat is Noord-Amerikaans, heel on-Europees." Maar behalve de concurrentie van andere onderzoekers, is er nog een ander gevaar dat altijd op de loer ligt. Anderen zouden namelijk gemakkelijk met de kennis van Kwakkel aan de haal kunnen gaan. Hierover zegt hij: "In Nederland, als iemand vraagt 'wat vind je hiervan?' [...] geef je een los antwoord en dat wordt dan opgenomen in het artikel. Als je niet oppast gebeurt dat zonder citatie. Je moet zorgen dat je laat zien wat je doet. Ook als je iets aan iemand geeft, een datering, dat je er altijd bij zet in het rapport 'Erik Kwakkel, zo veel zo veel', omdat het dan officiële correspondentie is. Dan staat het tenminste in een voetnoot van het artikel: 'personal communication Kwakkel'." Voorlopig is Kwakkel hard aan het werk met het invoeren van de gegevens in de database. Hiervoor maakt hij lange dagen achter zijn computer, en af en toe reist hij af naar buitenlandse bibliotheken. Het zal nog wel even duren voor er grote resultaten geboekt worden, maar één ding is zeker: dankzij zijn Noord-Amerikaanse publicatie-strategieën, zullen we zeker nog veel van professor Kwakkel horen.