Kunst leeft
Dineren met een schilderij, een mok naar de Mona Lisa gooien of naar bed met een gipsen beeld. Op kunst wordt overal ter wereld anders gereageerd, maar een terugkerend fenomeen van alle tijden is dat mensen reageren op kunstwerken alsof het levende wezens zijn. Hebben we hier te maken met gekte, fetisjisme of een natuurlijk, menselijk verschijnsel? Vijf jaar lang deed prof. dr. Caroline van Eck onderzoek naar dit verschijnsel en afgelopen november heeft zij het onderzoek “Art, Agency and Living Presence in Modern Early Italy” afgerond. Wij gingen naar Den Haag om haar te interviewen over haar pioniersonderzoek.
Tweesporenbeleid
Elk onderzoek begint vanuit een interesse en een onderzoeksvraag. Voor prof. Van Eck was kunst altijd al een interesse en een onderwerp van eerdere onderzoeken. Vooral de grens tussen kunst en leven intrigeerde haar. Daarom besloot ze het onontgonnen gebied van specifieke reacties op kunst, namelijk mensen die reageren op kunstwerken alsof het levende wezens zijn, te onderzoeken. Die reacties lopen erg uiteen: “Mensen kussen beelden, of snijden schilderijen kapot of menen dat beelden tegen ze praten of dat schilderijen ze aankijken.” Wat prof. Van Eck hier beschrijft, is een verschijnsel dat overal ter wereld voorkomt, maar nooit goed onderzocht is. We komen het al tegen in de Griekse oudheid, in de mythe van Pygmalion, en ook tegenwoordig hebben mensen nog heftige reacties op kunstwerken. Dit is moeilijk voor te stellen als je in een willekeurig museum staat. In de westerse cultuur staat nagenoeg alle kunst in vitrines en denken de kijkers hooguit ‘Goh, wat mooi’ of ‘Wat zou het kosten?’. Met het voorbeeld van de Mona Lisa toont Van Eck aan dat deze reacties ook in de westerse cultuur niet de enige zijn: “Vorig jaar heeft iemand een mok naar haar gegooid in Parijs. Dat was iemand die razend werd van haar glimlach. Die riep echt: ‘Praat nou eens een keertje met me!’. Over de Mona Lisa is alles al uitgezocht. Ze is uit elkaar gehaald, opgezet, geanalyseerd, in een MRI-scan gedaan, maar dit verschijnsel is nooit goed onderzocht.” Voor Van Eck was het tijd om daar verandering in te brengen. De belangrijkste vraag is natuurlijk: wat is het motief van deze mensen? Waarom reageren ze zo heftig op iets dat niet leeft? Hier ligt meteen het eerste knelpunt van het onderzoek. Het is immers onmogelijk om te weten te komen wat er omgaat in de hoofden van mensen die beelden kussen, want de gedachten van mensen die driehonderd jaar geleden leefden, zijn niet te doorgronden. Volgens Van Eck is het altijd een tweesporenbeleid. “Aan de ene kant gaat het om een vraag die je heel erg interesseert, maar het moeilijkste is om die vraag te herformuleren in een vraag die je kan beantwoorden. Eigenlijk moet je waarom-vragen zien om te vormen in hoe-vragen.” Dit was nodig, omdat er in waarom-vragen een zekere mate van subjectiviteit verborgen ligt, terwijl die niet gewenst is in de resultaten van een onderzoek. Bij hoe-vragen kun je de subjectieve mening uitsluiten. Daardoor kun je tot een concreet antwoord komen in plaats van een vager antwoord gebaseerd op persoonlijke standpunten.
Graven en narekenen
Venetië in de zestiende eeuw. Francesco Bembo laat een schilderij maken van de vrouw op wie hij verliefd is. De desbetreffende dame woont in Florence. Het portret wordt in Florence gemaakt en vervolgens naar Venetië gebracht. Van Eck: “Vervolgens gaat Bembo dat portret helemaal behandelden als die vrouw zelf. Hij zet het tegenover zich aan tafel, praat ertegen, hij neemt het mee bij diners met zijn vrienden, waar ze aan tafel wordt neergezet bij het dessert, ze gaat officieel op bezoek bij de doge van Venetië, alsof ze een soort bevriend staatshoofd is en mensen gaan bidden voor het schilderij als ze ziek is.” Dit is maar een van de casus waarmee geïllustreerd wordt hoe ver de reactie op kunst kan gaan. En om de casus, de voorbeelden, draaide het in Van Ecks onderzoek. Dit wordt casuïstiek genoemd: er is een aantal representatieve casus nodig, waarover je het nodige te weten kan komen. Van Eck: “Want je kan wel een hele casus hebben, maar als je er niets over te weten kunt komen, schiet het niet op.” De volgende stap in het onderzoek is het vinden van bronnen. “Je hebt bronnenmateriaal nodig, primaire bronnen. Dat is in de geesteswetenschappen het begin van alles. Waar je in de psychologie een experiment hebt, hebben wij in de geesteswetenschappen bronnenmateriaal, dus teksten of kunstwerken zelf uit die tijd. Die tekst bestaat uit de reacties die bewaard zijn gebleven. Dat is dus het graafwerk. Je hebt graven en je hebt narekenen.” Het graafwerk begon in zestiende-eeuws Italië, in de late renaissance: een periode waarin de kunst een nieuwe kant op ging. De renaissance was op dat moment over haar hoogtepunt heen en kunstenaars proberen de grootheden Michelangelo en Rafaël na te doen. De kunststroming die hieruit ontstond was het maniërisme. De meesters waren echter niet te overtreffen of te evenaren, dus moesten de kunstenaars het in een andere richting zoeken: ze probeerden de natuur te overtreffen. Maar hoe vol de zestiende eeuw ook was van kunst, bronnenmateriaal over reacties op kunst zijn nauwelijks te vinden. “Terwijl het in de achttiende eeuw, met name in Frankrijk als het om beeldhouwkunst gaat, opeens van het bronnenmateriaal explodeert. Dan wordt het een heel expliciet thema van gesprek. Dus we hebben onszelf een beetje opgeschoven naar de achttiende eeuw.” In de achttiende eeuw brak de Verlichting door, wat zorgde voor een opleving van de kunsten en wetenschappen. Desondanks bleef het zoeken naar bronnenmateriaal moeilijk. Volgens Van Eck zelf is dat zo, omdat er geen vast recept is voor het vinden van bronnen: “Dat is eigenlijk het allermoeilijkst. Er is wel wat werk gedaan, er zijn bestaande studies met verzamelingen van dit soort reacties. Wat ik in de praktijk heb gedaan, is kijken naar standbeelden die heel erg levensecht zijn en dan kijken naar wat daar voor reacties over zijn opgeschreven.”
Over Caroline van Eck
Goudschaaltje
Wanneer er dan bronnen gevonden zijn, begint het nadenken. De onderzoekers moeten bronnen interpreteren. Hier komt de antropologische theorie van Alfred Gell om de hoek kijken, beschreven in zijn boek Art and Agency. (zie kader). “Die theorie heeft het hele veld een enorme impuls gegeven,” zegt Van Eck. “Gell maakt het mogelijk om heel systematisch naar al die bronnen te kijken, omdat hij een soort model heeft van alle betrokkenen bij die impact van kunst. Dat kun je heel systematisch uitzoeken: de opdrachtgever, de kunstenaar, het publiek, het werk zelf. Door deze in allerlei verschillende verhoudingen tot elkaar te zetten, kun je heel systematisch gaan werken.” Als de theorie van Gell op het voorbeeld van het portret uit Venetië wordt toegepast, blijkt dat het portret eigenlijk deel uitmaakt van een politiek spel tussen Venetië en Florence. “Daarom gaat ze ook bij de doge op bezoek, waarmee Venetië probeert om die dame toch weer terug te krijgen. Want zij was ondertussen getrouwd met de hertog van Florence, dus ze was een heel interessante partij geworden. Eigenlijk probeerden ze via dat portret invloed uit te oefenen op de dame zelf, maar dat deden ze op een heel gekke manier.” Maar ook met de theorie van Gell moet per geval bekeken worden wat de precieze functie van een reactie is. Zo noemt prof. Van Eck het voorbeeld van de kerk van Jezus van Medinaceli in Madrid. In deze kerk staat een beeld van Jezus Christus met echt mensenhaar. Smekelingen, veelal hoogopgeleide Madrilenen, kussen van dit beeld de hand en vegen die dan vervolgens ook weer keurig af voor de volgende smekeling. “Dat is dus een sociaal ritueel,” zegt Van Eck. “Ze komen daar namelijk allemaal naartoe om te laten zien dat ze serieus een baan willen.” Daarom moet volgens Van Eck heel specifiek bij elke casus worden bekeken wat er precies aan de hand is. De theorie van Gell is hierbij een goed hulpmiddel, maar het blijft ook een kwestie van veel overleg. “Je moet ieder woord op een goudschaaltje wegen.” Context speelt een grote rol. In het onderzoek is geprobeerd te ontdekken wat mensen bedoelden, wanneer in reisverslagen werd opgeschreven dat de Venus van Milo tegen hen sprak. “Het blijkt dat mensen altijd een doel hebben met zo’n uitspraak,” legt Van Eck uit. “Dat kan zijn dat ze willen laten merken dat ze smaak hebben. In de 18e eeuw bijvoorbeeld, als rijke Engelsen op Grand Tour gaan in Italië, dan is dat onderdeel van hoe je dat deed: dat je even schrijft over de Venus van Milo ‘goh, het lijkt net alsof ze me aankijkt’.”
De theorie van Gell
Weg van de standaard
De grote vraag blijft echter: als dit verschijnsel zo vaak voorkomt, waarom is er dan nooit eerder onderzoek naar gedaan? Volgens Van Eck heeft ook dit te maken met de theorie van Gell: “We hebben dit kunnen doen vanwege die theorie van Gell. Die is uit 1998. Je ziet dat sinds Gell is verschenen, dit onderwerp veel aandacht krijgt in grote kunsthistorische congressen. We hadden vorig jaar in Venetië een groot congres, een hele dag lezingen hierover. Terwijl dit tien jaar geleden nog een soort hobby was.” Wat ook een reden kan zijn voor de lange periode dat er geen onderzoek is gedaan naar ‘living presence’, is dat de houding heel lang is geweest dat we eigenlijk niet willen weten wat er aan de hand is. Van Eck legt dit uit aan de hand van het voorbeeld van de Nachtwacht: “Twintig jaar geleden is de Nachtwacht weer kapot gesneden. De conservator zei toen: ‘We hoeven natuurlijk niks te weten over de motieven van deze misdadiger - daar gaan wij ons niet mee bezighouden - maar we weten wel dat hij in een krankzinnigengesticht moet.’ Dus je wil er niets van weten, maar je weet wel dat hij gek is. Dat was heel lang de houding: ‘ja, het komt voor, maar eigenlijk wil ik het niet weten’.” Vanwege de interdisciplinariteit van het onderzoek en vanwege het feit dat het een pioniersonderzoek is, is het resultaat erg vernieuwend. Daarnaast zijn clichés zo veel mogelijk uit het onderzoek gehouden. Van Eck: “Op een gegeven moment krijg je een neus voor wat een cliché aan het worden is en wat echt iets nieuws is. Dan kun je gaan schiften. Er zijn heel persoonlijke bronnen, van Diderot bijvoorbeeld, of de dichter Shelley. Die zijn heel uniek, maar er zijn ook standaardresponsen. Maar om die te herkennen moet je er gewoon heel veel zien.” Opvallend is dat de kunst zelf een ondergeschikte rol speelt in het onderzoek. “We gaan helemaal niet uit van de grote kunstenaars die grote werken maken, die dan worden verkocht of worden verzameld,” zegt Van Eck, daarmee verwijzend naar de manier waarop er traditioneel naar kunst wordt gekeken in kunsthistorisch onderzoek. “We kijken puur naar de reacties. We zien ook werk dat heel vaak als lage kunst wordt gezien, dus dingen die helemaal niet mooi zijn of uniek. Het blijkt dat mensen net zulke heftige reacties hebben op simpele stukken hout met twee ogen erin geprikt als op de Venus van Milo. Wat voor rol artistieke waarde daarin speelt, is een heel ingewikkelde kwestie.” Naast de vernieuwing die het onderzoek heeft voortgebracht, denkt Van Eck ook “dat het echt iets wetenschappelijks heeft opgeleverd. Ik denk dat we veel meer begrijpen van dit soort reacties, dat we met name heel goed begrijpen waarom ze zo voorkomen,” vertelt ze. “We hebben nu ook een soort visie op het wereldwijde karakter ervan. En we zijn helemaal af van het idee dat heel lang heeft geheerst dat dit primitief, hysterisch of fetisjistisch was of dat alleen de volkeren van donker Afrika dit deden. Het is een menselijke constante, ook bij hoogopgeleide westerlingen. We kunnen nu veel beter lokaliseren in wat voor soort context dit plaatsvindt. Het was altijd een soort curiosum en wij hebben laten zien dat het overal voorkomt en dat het een heel duidelijke functie heeft. Het resultaat was uiteindelijk veel genuanceerder dan we dachten. Maar dat is het mooie van wetenschap.”


Caroline van Eck heeft kunstgeschiedenis aan L’Ecole du Louvre in Parijs gestudeerd en filosofie en klassieke talen in Leiden. In 1994 haalde zij haar doctorsgraad (cum laude) in de filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. In de periode 1995-2003 heeft Van Eck aan de Vrije Universiteit Amsterdam onderzoek gedaan. Het terugkerende thema in veel van haar onderzoeken was de relatie tussen de retorica en de kunst. Van 2003 tot 2006 doceerde Van Eck aan de Universiteit Groningen. In 2006 ontving zij een VICI beurs van het NWO voor onderzoek over ‘Art, Agency and Living Presence in modern Italy’. In 2006 werd Caroline van Eck benoemd tot hoogleraar architecturale geschiedenis en theorie aan de Universiteit Leiden. In Leiden heeft zij verschillende onderzoeken gedaan en in 2010 heeft zij haar onderzoek over ‘levende kunstwerken’ gepubliceerd. Naast haar onderzoek geeft Van Eck ook colleges over haar gevonden resultaten, colleges over kunstgeschiedenis en colleges over filosofie aan masterstudenten.