Groene thee helpt bij transcriptie
De aandacht voor de spreektaal is eigenlijk mijn missie,” aldus Jeroen Wiedenhof als wij op 19 januari jl. een gesprek met hem hebben in het Arsenaal (waar Japanologie en Sinologie gehuisvest zijn) in Leiden. Aanvankelijk was hij vooral geïnteresseerd in het Chinese schrift, maar tijdens zijn studie Chinese Talen en Culturen kwam hij er snel achter dat zijn interesse meer bij de taalkunde lag. Hij heeft zich verdiept in het Mandarijn, en heeft onder andere Grammatica van het Mandarijn gepubliceerd (Amsterdam 2004: Bulaaq). In dit boek wordt op een toegankelijke wijze de grammatica van de spreektaal beschreven. Aan de hand van voorbeelden worden onderwerpen als klankleer, zinsbouw, morfologie en grammaticale functiewoorden uitgelegd. Wij vroegen hem naar zijn ervaringen met betrekking tot het onderzoeksproces.
Tofu en thee
Hoewel Wiedenhof vooral geïnteresseerd is in de taalkunde en de Chinese spreektaal transcribeert, ofwel de gesproken taal omzet naar het schrift, moet hij als docent aan de Universiteit Leiden naar eigen zeggen “van alle markten thuis zijn”. Door goede vragen van studenten blijft hij scherp. Zijn studenten geven hem vaak een nieuw perspectief, dat hij weer gebruikt in zijn eigen onderzoek. Voor zijn eigen onderzoek moet hij over veel kennis beschikken. Bij het transcriberen van gesprekken speelt namelijk niet alleen de uitspraak een rol, ook bijvoorbeeld morfologie en zinsbouw zijn van belang. Bij het transcriberen komt alles bij elkaar. Niet alleen moet er veel geleerd worden, maar hetgeen wat geleerd is, moet ook goed bijgehouden worden. Zo leest Wiedenhof nog steeds veel boeken over de Chinese taalkunde. Ook gaat hij nog geregeld naar China. “Ik moet wel kunnen blijven volgen wat de Chinezen zeggen natuurlijk. En als mijn studenten vragen hoe iPhone in het Chinees wordt uitgesproken, moet ik ook mee kunnen praten”. Een ander aspect van brede oriëntatie heeft betrekking op de Chinese cultuur. Zoals Wiedenhof zelf zegt: “Het heeft natuurlijk geen zin om de taal te leren, als je niet weet wat tofu is of als je niet weet dat de Chinezen bijna altijd groene thee drinken in plaats van zwarte thee. Dat zijn allemaal cultuur-aspecten die je moet weten. Dus ja, je moet veel weten over de Chinese cultuur om goed Chinees te spreken.”
Opmerkelijk karakter
Wiedenhofs onderzoek gaat niet, volgens boekjes met duidelijke methode-beschrijvingen zoals wij die kennen van de natuurwetenschappen, maar hij doet onderzoek in de weerbarstige praktijk. De methode volgt bij hem meestal uit de data: hij neemt eerst gesprekken op, zoekt vervolgens een patroon in deze spreektaal en dan zoekt hij in de vakliteratuur of dit patroon wel (goed) beschreven staat. Als dit niet het geval is, verdiept hij zich in dit onbekende of niet voldoende beschreven patroon om het verder te bekijken en uit te werken, om het zo zelf wél goed weer te kunnen geven. Een ander verschil met natuurwetenschappelijk onderzoek heeft te maken met concurrentie. Zo had Wiedenhof ontdekt dat het Chinese woord voor ‘niet zijn’ helemaal nergens beschreven was en niet in het Chinese woordenboek voorkomt. Er bestond geen karakter voor dit woord en er was nog niets over geschreven, hoewel het erg vaak op straat gebruikt wordt. Toen Wiedenhof hierover schreef in zijn proefschrift en een lezing gaf waarin hij het woord noemde, werd hij in eerste instantie niet geloofd omdat er geen karakter voor het woord bestaat. “We kunnen het niet schrijven, dus het bestaat niet. Als er geen karakter voor is, zijn veel Chinese taalkundigen er blind voor”. Wiedenhof bedacht daarom op basis van de tradities en principes voor het maken van karakters zelf een karakter voor ‘niet zijn’. “Chinezen vragen altijd hoe je het dan schrijft. Nu kan ik zeggen; kijk, zo schrijf je het.” Dit karakter is nog niet opgepikt en de kans is nihil dat dat wel zal gebeuren. Wiedenhof denkt dat de Chinezen geen karakter accepteren dat bedacht is door een niet-Chinees. “Dat is toch een stukje cultuur-trots”, aldus Wiedenhof. Bij zijn onderzoek maakt Wiedenhof echter ook gebruik van natuur-wetenschappelijk onderzoek: “Fonetiek is heel technisch, dat heeft te maken met frequenties, hoe een klank is samengesteld uit een zogenaamde eerste en tweede formant, als het ware een optelling van sinussen. Dat heeft ook te maken met de bouw van je mond. Je tong beweegt en je mond is een soort klankkast voor je stembanden, die weer een soort vioolsnaren zijn, die in trilling gebracht worden door lucht uit je longen. Je mond is erg flexibel, daardoor kunnen er veel klanken gevormd worden. Dit is heel fysiologisch allemaal, gewoon natuurkunde eigenlijk.”
Speels onderzoek
Geld speelt natuurlijk bij elk onderzoek een belangrijke rol. Wiedenhof heeft het geluk dat de invloed van China op de wereld-economie nog steeds toeneemt. Daardoor kan hij vrij zeker zijn van zijn baan als onderzoeker.
“Wetenschap is heel duur, dus als je projecten doet is het vaak zo dat mensen bezig zijn met kortdurende projecten en dan moeten ze binnen een korte tijd met resultaten komen.” Wiedenhof heeft nog een voordeel, gezien het feit dat hij een vaste aanstelling heeft bij de universiteit. Zo kan hij voortbouwen op het materiaal dat hij al heeft, en daar steeds weer dingen aan toevoegen. Tegenwoordig is het zo dat men de verwachte resultaten van tevoren moet weergeven om geld aan te vragen voor een onderzoek. Dit vindt Wiedenhof erg jammer, vooral omdat hij vindt dat dit haaks op de wetenschap staat. “Een wetenschapper is vaak minder planmatig. Het leuke aan de wetenschap is dat het heel speels is, er kunnen allerlei onverwachte wendingen optreden en dingen die je tegenkomt door onderzoek kunnen erg verrassend zijn. Je kunt niet van tevoren zeggen ‘dit komt eruit, en dit heeft de Nederlandse economie eraan!’ Nee, dat weet je niet.” Hij baseert zijn mening op een artikel van prof. Vincent Icke, een collega sterrenkunde te Leiden, die 22 maart 2010 in NRC Handelsblad schreef: “Vragen om nut in de wetenschap is onzin. Je kunt het nooit van te voren vaststellen. Het onttrekt zich een beetje aan de economische wetten.”
Roddelaar
“Tegenwoordig weet men hoe men dit soort taalkundig veldwerk moet aanpakken, er zijn bijvoorbeeld cursussen voor. Ik heb dit allemaal zelf moeten uitzoeken.” Zoals Wiedenhof zelf zegt, heeft hij ‘door schade en schande’ wijs geworden, zelf de beste onderzoeksmethodes moeten uitzoeken. Wiedenhof probeert zo goed en getrouw mogelijk de spreektaal op te schrijven. Hij probeert tendensen in beeld te brengen door zorgvuldig te luisteren. Omdat hij zich focust op de spreektaal, zou hij het liefst gesprekken op straat op willen nemen. Dit is echter onmogelijk door alle achtergrondgeluiden op straat. Daarom worden de gesprekken van proef-personen opgenomen in een ruimte, zoveel mogelijk afgesloten van omgevings-geluiden. Helaas is het zo dat wanneer proefpersonen met een microfoon voor hun neus in een kamertje zitten, dat het voor hen bijna onmogelijk is om nog een ‘gewoon’ gesprek te voeren, zoals dat op straat zou gebeuren. “Je wilt het liefst dat mensen praten zoals ze altijd praten, maar juist omdat je opnames aan het maken bent, maak je dat minder spontaan.” Dit noemt Wiedenhof ook wel “de paradox van beschrijvend onderzoek.” Om een oplossing te vinden, zocht Wiedenhof naar manieren om deze opgenomen gesprekken zoveel mogelijk spontaan te houden. “Het grootste probleem is mensen op hun gemak stellen, maar ik kwam er snel achter dat als je mensen bij elkaar zet met een pot thee en twee kopjes, vooral als ze elkaar niet kennen, dat ze elkaar gingen aftasten. Dan zijn ze zo met elkaar bezig, dat ze de microfoons snel vergeten.” Soms liep het ‘uit de hand’. Dan waren de proefpersonen zodanig op hun gemak gesteld, dat ze niet meer ophielden met praten. Dan had Wiedenhof te veel materiaal om te transcriberen. Ook is het een keer voorgekomen dat de proefpersonen spontaan begonnen te roddelen over mensen in de omgeving. Wiedenhof heeft de namen toen moeten veranderen, omdat zijn resultaten anders wellicht te pijnlijk zouden kunnen zijn. Wiedenhof past zijn werkwijze geregeld aan tijdens zijn onderzoek. Zo is het voorgekomen dat hij, in de politiek strengere tijd van China, alleen gescreend materiaal kreeg van vurige politieke pleidooien. Daar had hij niet veel aan, want deze toespraken kon hij ook terugvinden in boekjes. Het was niet nuttig om ze te transcriberen. “Het duurt dus lang voordat je weet wat je moet doen. Sommige dingen werken wel, andere niet.”
Grappig foutje
Maar er waren ook nog andere problemen tijdens het onderzoek. Zo waren er in het begin van zijn onderzoek nog helemaal niet zoveel Chinezen in Nederland. De Chinezen die er waren, spraken vaak Kantonees, terwijl Wiedenhof bezig was met het Mandarijn. Ook verstaat Wiedenhof niet altijd wat de proefpersonen zeggen, daarom gebruikt hij alleen proefpersonen die voor een langere tijd in Nederland verblijven. Zo kan hij hun altijd nog vragen onduidelijkheden in het gesprek te verhelderen. Het is een keer voorgekomen dat twee proefpersonen een woord gebruikten, dat Wiedenhof niet kende en waarvan hij nergens kon vinden wat het betekende. “Toen ik ze vroeg over dat rare stuk bleek dat ze, net voordat ze naar de studio waren gekomen, een Nederlander waren tegengekomen, die Chinees als tweede taal heeft geleerd. Die Nederlander maakte een fout, die ze toen later dus onderling als grapje hebben gebruikt in het gesprek. Alleen zijzelf wisten dat natuurlijk, dus daar kom je niet uit zonder informanten.’’ Maar bij de opzet van het onderzoek moet met nog meer problemen rekening gehouden worden. “Zo kwam ik er ook achter dat als je twee dames of twee heren met elkaar laat praten, je er achteraf niet meer erachter komt wie nou wat zei. Zelfs met stereo-opnames was dat moeilijk te horen. Daarom gebruik ik nu altijd een dame en een heer, dan kan je in ieder geval de stemmen uit elkaar houden.” Het is meer regel dan uitzondering, dat er onverwachte dingen optreden tijdens je onderzoek, volgens Wiedenhof. “Onderzoek is heel moeilijk te plannen.”
Leenwoorden
Ook bij taalreconstructie, het terugdenken vanuit de klanken van een taal en de gelijkenis van de betekenis, komt een probleem naar voren. Het is lastig om de leenwoorden goed te blijven onderscheiden van de verwante woorden. “Als ik kù zeg in het Mandarijn, is dat overgenomen van het Engelse cool. Het duidt niet op taalverwantschap tussen het Engels en het Chinees,” aldus Wiedenhof. Engelse leenwoorden worden pas de laatste jaren veel gebruikt.Er zijn bijvoorbeeld veel leenwoorden uit het Mongools. In de 13e eeuw hadden de Mongolen een groot rijk, dat bijna heel Eurazië omvatte, van Polen tot bijna aan Japen en de oostkust van China. Het Mongools heeft daardoor een grote invloed gehad op de Chinese taal. Er zijn dus heel veel Mongoolse leenwoorden te vinden in het Chinees. Maar omdat deze al zo lang bestaan, weten de Chinezen zelf niet meer wat wel en wat geen oorspronkelijk Mongoolse woorden zijn. Het is bijna onmogelijk dat zijn onderzoek een negatieve uitslag heeft, zegt Wiedenhof desgevraagd. “Alles dat je nu opschrijft is eigenlijk een bijdrage voor de documentatie van spreektaal in begin van de 21e eeuw.” Zoals eerder al genoemd, is de uitslag van een onderzoek moeilijk te voorspellen. Als er iets heel onverwachts uitkomt, gaat Jeroen Wiedenhof daarmee verder. “Je slaat een nieuwe weg in, het onderzoek krijgt dan een nieuwe wending.” Opvallend is dat Wiedenhof erg optimistisch in zijn onderzoek staat. Als er iets onverwachts gebeurt of er een onverwacht resultaat uit zijn onderzoek komt, is dat eigenlijk alleen maar spannend en gaat hij verder met deze bijzonderheden. Hij leert ‘spelenderwijs’ en past zijn methode aan tijdens zijn onderzoek. Wiedenhof moest met veel dingen rekening houden in zijn onderzoek, maar heeft gestaag doorgezet en dit heeft gelukkig ook voor positief resultaat gezorgd. Hij ziet onderzoek dan ook niet alleen als een middel om ‘het publiek’ iets te leren, of om zelf iets te leren over een onderwerp, het doen van onderzoek op zich heeft hem al heel veel kennis verschaft.
Hanyu Pinyin
