“De kick van wetenschap”
Kruispunt
Archeologie is een zeer breed vakgebied en een van de dingen die archeologie zo interessant maakt is het contact met verschillende disciplines. Bij de vroege archeologie, die zich met de tijd van twee miljoen jaar geleden bezig houdt, is het raakvlak tussen verschillende disciplines het grootst. Dit betekent dat je als archeoloog constant aan het leren bent, en dat je je steeds weer in nieuwe vakgebieden moet verdiepen. Zo werkt men bij de vroege archeologie intensief samen met zowel natuurkundigen, om archeologische vondsten te dateren, als met geologen, om informatie over sedimentlagen te verkrijgen. De laatste jaren is er een steeds nauwere samenwerking tussen archeologen en genetici ontstaan. Dankzij DNA-analyse van fossielen is er nu een grotere kennis over de vroegste mensachtigen. “Archeologie is een vakgebied waarbij je constant van allerlei collega’s uit andere disciplines aan het leren bent”, zo beaamt Roebroeks, “waarbij je op een kruispunt zit van allerlei verschillende en leuke vakken. Een nieuwe tak van sport waarbij je als jong persoon echt iets kan bijdragen!”
Spontane vondsten of literatuuronderzoek
Hoe een archeologisch onderzoek van start gaat verschilt. In de archeologie wordt vaak onverwachts of zelfs per ongeluk een belangrijke vondst gedaan. Vervolgens kunnen één of meerdere archeologen worden ingezet om deze vondst nader te bekijken en uitgebreid te onderzoeken. Maar een archeoloog kan ook op eigen initiatief naar vindplaatsen afreizen, want meestal speelt persoonlijke interesse in de vondst een belangrijke rol. De mensen die plezier hebben in hun werk, zijn vaak ook de meest succesvolle mensen in hun vakgebied. “Plezier hebben in je werk is de beste garantie voor succes”, zo stelt ook Roebroeks.
Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijkerwijs op veldwerk gebaseerd. Er kan ook literatuuronderzoek gedaan worden. Daarbij worden eerdere onderzoeken van verschillende archeologen met elkaar vergeleken, met als doel nieuwe conclusies te trekken op basis van eerder gepubliceerde bevindingen.
Wie is Wil Roebroeks?
Wil Roebroeks, geboren in 1955, is hoogleraar Archeologie van de Oude Steentijd aan de Universiteit Leiden. In 1979 studeerde hij cum laude af in sociale en economische geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij promoveerde in 1989 cum laude aan de Universiteit Leiden met een onderzoek naar de Oude Steentijd in Nederland, na een kopstudie archeologie. Naast diverse onderzoeken en publicaties was hij van 2000 tot 2005 wetenschappelijk directeur van onderzoeksschool Archon. Een van zijn meest bekende publicaties is zijn artikel: ‘An Asian perspective on early human dispersal in Africa’ in het wetenschappelijke tijdschrift Nature, geschreven samen met een Engelse collega, waarin zij vraagtekens plaatsten bij de migratietheorie van de eerste mens. In 2007 won Wil Roebroeks de Spinozapremie. Met het geldbedrag verbonden aan de prijs stelt hij vooral promovendi aan.
Flexibel Onderzoek
In de archeologie bestaat er geen vaste onderzoeksmethode. De aanpak van het onderzoek is afhankelijk van de archeoloog zelf en het onderwerp van het onderzoek. Net zoals elk onderzoek uniek is, verschilt ook de onderzoeksmethode per onderzoek. Een archeoloog moet zeer flexibel zijn, de hypothesen veranderen tijdens het onderzoek nogal eens. Aan het begin van een onderzoek is er een vermoeden over wat er gevonden gaat worden, maar in de praktijk vindt men vaak onverwachte dingen of wordt er juist niks van belang gevonden. Dat gooit het hele onderzoek om en zorgt ervoor dat ook de hypothese moet worden aangepast. Vooral bij veldwerk wordt er constant geïmproviseerd en meestal worden de leukste en meest interessante dingen aangetroffen op plekken waar ze totaal niet verwacht worden. “Daarom”, zegt Roebroeks, “moet je wetenschappers niet aan tijden of procedures binden. Onderzoekers moeten kunnen blijven improviseren: je moet onderzoekers niet muilkorven.” Zelf ging hij tien jaar geleden naar Rusland om sporen te zoeken van de meest noordelijke Neanderthalers. Het gerucht ging dat er in Rusland stenen werktuigen waren gevonden die aan deze Neanderthalers toegeschreven konden worden. Roebroeks en zijn collega’s vonden na weken van veldwerk echter niets dat hierop wees. Wel troffen zij iets anders aan, namelijk sporen van de eerste moderne mens. Dit wierp een ander licht op de zaak, en daarom hebben ze hun onderzoek voortgezet, met als geheel nieuw onderzoeksthema de eerste moderne mens.
Zo dicht mogelijk bij de waarheid
Twee vereisten voor wetenschappelijk onderzoek zijn een falsifieerbare hypothese en een overzichtelijke methode, waardoor anderen het onderzoek kunnen reproduceren. Onderzoekers maken gebruik van de thans beschikbare middelen, maar het is erg waarschijnlijk dat er over twintig jaar meer geavanceerde apparatuur ontworpen zal zijn, waarmee veel nauwkeuriger onderzoek gedaan kan worden. Door betere controlemogelijkheden blijken soms zelfs de meest aannemelijke theorieën onjuist te zijn. Vooral in de archeologie gebeurt dit regelmatig. Archeologie is een voortdurend proces van onderzoeken en nagaan of eerdere conclusies nog wel waar zijn. Om zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven beschrijven archeologen in hun theorie niet alleen hun vondsten en bijbehorende interpretaties, maar ook onder welke omstandigheden de theorie onjuist kan worden verklaard. Archeologen zijn zich ervan bewust dat hun theorie in de toekomst gefalsifieerd kan worden. Op het moment van publicatie is het dan ook de bedoeling dat de theorie het dichtst bij de waarheid ligt.
Een goede misvatting
Ook Wil Roebroeks heeft wel eens de plank misgeslagen. In 1993 publiceerde hij met een aantal collega’s een grote inventarisatie van de eerste sporen van menselijke bewoning in Europa. De theorie, de ‘korte chronologie’-theorie genaamd, stelde dat die sporen niet ouder waren dan een half miljoen jaar. Roebroeks en zijn collega’s waren ervan overtuigd dat hun ‘korte chronologie’-theorie klopte. Binnen tien jaar was deze theorie echter gefalsifieerd. Maar ook al is inmiddels aangetoond dat de theorie niet klopt, het was op dat moment een mooie synopsis van hoe de situatie ervoor stond, en bovendien speelt deze nu nog steeds een rol binnen de archeologie. Het is bij wetenschappelijk onderzoek niet erg om het bij het verkeerde eind te hebben. De ‘korte chronologie’ is juist een onderzoek waar Wil Roebroeks trots op is. Elke theorie draagt namelijk bij aan de gemeenschappelijke kennis, ook al blijkt deze uiteindelijk onjuist te zijn. “Het leuke aan de ‘korte chronologie’-theorie vond ik dat deze werkte met voorspellingen,” zo vertelt Roebroeks. “Wij hadden gesteld dat als bepaalde vondsten werden gedaan, we onze theorie zouden moeten aanpassen. Dit is ook gebeurd. Mede dankzij deze theorie is de dataset waar wij nu mee werken veel sterker geworden dan achttien jaar geleden. Het onderzoek is opgeschoten, de stallen zijn uitgemest.”
‘Out of Africa’-theorie
De ‘Out of Africa’-theorie is het gangbare model dat de oorsprong en vroege verspreiding van de eerste moderne mens beschrijft. Volgens deze theorie ontstond de eerste moderne mens (Homo sapiens) tussen de 200.000 en 150.000 jaar geleden in Afrika, waarna de moderne mens 100.000 jaar geleden ook naar andere werelddelen trok. In 2005 hebben professor Roebroeks en zijn collega, professor Dennell, internationale bekendheid verworven met een publicatie in Nature, waarin zij de ‘Out of Africa’-theorie in twijfel trokken. Zij stelden dat de migratie misschien niet eenzijdig was en dat er wellicht meer tweerichtingsverkeer tussen de continenten was. Ook maakten zij in dat artikel duidelijk dat het aannemelijk is dat er meer stammen in Azië leefden dan wordt gedacht. Het blijkt dat er nog heel wat te onderzoeken valt aan de migratietheorie van de eerste mens en dat vele aannames hierover wellicht niet kloppen.
Niet bang voor de controverse
Wil Roebroeks werd bij een breed publiek bekend door zijn onderzoek waarbij hij de ‘Out of Africa’-theorie in twijfel trok. “Na de publicatie in Nature werd onze theorie snel een soort waarheid”, meent Roebroeks, “terwijl het doel van de publicatie vooral was om vraagtekens te plaatsen bij de heersende opvattingen over de migratie van de vroegste mensachtige en op deze manier meer onderzoekers te prikkelen naar deze theorie onderzoek te doen.” Na de publicatie van het artikel in Nature kwam er ook veel kritiek op de aannames van Roebroeks en Dennell. “Je krijgt natuurlijk gelijk een hele hoop rotzooi over je heen, maar dat hoort erbij, dat is de sport,” vertelt Roebroeks. Collega’s behandelden hem niet anders na de plaatsing van zijn controversiële artikel, van tevoren kon hij al uittekenen welke collega’s de meeste bezwaren zouden hebben. Het grootste verschil was dat hij na de publicatie in Nature plots een stuk serieuzer werd genomen door onder meer journalisten. Als beginnend onderzoeker had Wil Roebroeks meer gêne om artikelen te publiceren, nu trekt hij zich er nauwelijks nog iets van aan als blijkt dat veel collega’s het niet met hem eens zijn. De peer-review is meestal niet alleen maar lovend en het is een kwestie van wennen om op een goede manier met de kritiek om te kunnen gaan. Er is niets erger voor een wetenschapper dan genegeerd te worden. Als er een onderzoek wordt gepubliceerd waar iedereen het mee eens is, betekent het meestal dat het geen interessant onderzoek was. Elke onderzoeker maakt fouten en die worden als het goed is gecorrigeerd door collega’s. Dat betekent dat collega’s je artikelen lezen. Rampzaliger is het als je artikelen helemaal niet gelezen worden. Als andermans theorieën in artikelen worden uiteengezet betekent het in ieder geval dat de theorieën worden gelezen en serieus worden genomen. Niet geciteerd worden en niet aangevallen worden is geen goed teken voor een wetenschapper. Een wetenschapper moet af en toe de controverse in.
De succesfactor geluk
“Bij het artikel over de ‘Out of Africa’-theorie hadden wij het geluk dat het tijdschrift Nature dat wilde publiceren”, zo vertelt Wil Roebroeks. Geluk en toeval worden vaak als de belangrijkste factoren achter succes in de wetenschap genoemd. Vooral in de archeologie heeft men soms het geluk bij een belangrijke opgraving aanwezig te zijn. Dit speelde ook een grote rol bij zijn onderzoek naar de‘Out of Africa’-theorie. “Wij hadden het geluk om bij opgravingen op cruciale plekken in Georgië aanwezig te zijn, we zaten midden in de kern van een van die vindplaatsen die het traditionele verhaal in twijfel trokken. Soms is het gewoon een kwestie van toeval, waar je zit, en of je toegang hebt tot goede data. Dat heeft veel te maken met persoonlijke relaties.”
In 2007 ontving Wil Roebroeks de Spinozapremie, de hoogste wetenschappelijke onderscheiding in Nederland. Op de vraag waarom hij denkt de prijs te hebben gekregen komt opnieuw de factor toeval ter sprake. “Er zal waarschijnlijk toen een archeoloog aan de beurt zijn geweest”, beweert hij. Een andere reden voor het ontvangen van de Spinozapremie is volgens hem zijn publicatie in Nature, iets wat voor archeologen vrij uitzonderlijk is. Opvallend is dat Wil Roebroeks meteen zegt dat het ontvangen van de Spinozapremie meer een ‘groupeffort’ was en dat hij de prijs ook te danken heeft aan zijn collega’s. Met de Spinozapremie ontving Wil Roebroeks een bedrag van anderhalf miljoen euro, dat hij naar eigen inzicht kon besteden in zijn onderzoeksgebied. Van dit geld zijn onder andere een aantal jonge promovendi aangesteld.
Wie betaalt, bepaalt
De Spinozapremie was een welkome bijdrage voor de faculteit Archeologie. Financiering van wetenschappelijke onderzoeken vormt namelijk dikwijls een belemmering voor de onafhankelijkheid van deze onderzoeken. Oud-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ronald Plasterk, heeft de laatste jaren veel geld voor onderzoek uitbesteed aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). NWO beoordeelt de onderzoeksplannen met behulp van buitenlandse experts. Voorheen was het zo dat onderzoekers geld vroegen aan hun eigen universiteit, maar de overheid was van mening dat de universiteiten slordig met dit geld omgingen. Daarom is er een externe commissie aangesteld, die verantwoordelijk is voor de beoordeling van onderzoeken.
Beknottende procedures
Archeologische opgravingen en onderzoeken in Nederland zijn moeilijk op te zetten door de procedures die erbij komen kijken: als onderzoeker moet je voordat je kunt beginnen met je onderzoek een dik rapport opstellen waarin wordt vermeld wat je waar, wanneer en hoe verwacht op te graven. Dit kost een onderzoeker veel tijd, tijd die ook voor het onderzoek zelf gebruikt had kunnen worden. Vrijheid en onafhankelijkheid zijn belangrijke voorwaarden voor het doen van ontdekkingen tijdens een onderzoek. Daarom zijn bovengenoemde ontwikkelingen nadelig te noemen voor onderzoekers: men onderzoekt niet meer waar men geïnteresseerd in is en de creativiteit van een onderzoeker wordt belemmerd door het huidige beleid.
Niet alleen de financiering van een onderzoek vormt vaak een grote belemmering, ook andere factoren, zoals de politiek kunnen obstakels voor een onderzoek vormen. Lange tijd waren bijvoorbeeld voor de vroege archeologie belangrijke gebieden in de Sovjet Unie en China moeilijk toegankelijk voor buitenlandse archeologen. Deze gebieden waren echter van cruciaal belang voor het in twijfel trekken van de‘Out of Africa’-theorie. In Afrika waren er veel meer opgravingen geweest dan in Azië en nog steeds loopt het archeologisch onderzoek in Azië achter ten opzichte van dat in Afrika. Mede dankzij belangrijke opgravingen in de voormalige Sovjet-Unie heeft Roebroeks vraagtekens kunnen plaatsen bij de‘Out of Africa’-theorie.
Het neanderthalerdieet
Waar het belang van andere takken van de wetenschap door bijna iedereen onderkend wordt, zoals de zoektocht naar nieuwe geneesmiddelen, wordt de maatschappelijke relevantie van archeologisch onderzoek soms in twijfel getrokken. Volgens Roebroeks is er ook een direct belang voor onze maatschappij bij archeologisch onderzoek, en wel bij zijn eigen specialisme: de vroege mensachtige. Een van de voorbeelden die hij noemt is het onderzoek naar het verband tussen hedendaagse welvaartziekten zoals obesitas en hart- en vaatziekten en onze veranderde eet- en leefgewoonten (het eten van veel verzadigde vetten en de geringe mate van lichaamsbeweging) door evolutionair geneeskundigen. Onze lichamen hebben zich namelijk ontwikkeld in een periode met heel ander voedsel en zijn niet aangepast aan de huidige omstandigheden en de hoeveelheid granen die we nu elke dag eten. De evolutionair geneeskundigen stellen dat er sprake is van een ‘mismatch’ tussen ons pleistoceen lijf en genoom en de huidige omgeving, waarin de mens pas zo’n tienduizend jaar leeft. Volgens de onderzoekers kunnen veel problemen in de gezondheidszorg opgelost worden door meer rekening te houden met de levensstijl en het voedsel waar ons lichaam in eerste instantie mee te maken kreeg ten tijde van de Neanderthalers. Om daarachter te komen moeten de onderzoekers de hulp inroepen van archeologen, want wat aten de Neanderthalers precies wat wij niet meer eten? “Wat de ene dag het domein is van freaks, is een paar weken later ineens een belangrijk maatschappelijk thema van onderzoek”, aldus Roebroeks. Hij concludeert dan ook dat het belang van archeologisch onderzoek, en onderzoek in het algemeen, niet van tevoren te voorspellen is. Archeologen zijn gedreven door passie voor het vak, zo ook Wil Roebroeks. De archeologie is een spannende wereld waarin men nooit weet wat er kan worden opgegraven. Een wereld waarin bij het streven naar de waarheid nieuwe theorieën worden bedacht die vervolgens worden verfijnd of gefalsifieerd om zo dichter bij de waarheid te komen en de gemeenschappelijke kennis te vergroten. In dit proces is het belangrijk wetenschappers hun gang te laten gaan, juist in de archeologie, waar interessante zijsporen dikwijls voorkomen, wordt men gedreven door toevallige ontdekkingen. Door samenwerking van mensen uit verschillende disciplines is het een dynamisch geheel waarin er altijd nieuwe dingen te leren zijn. Het onderzoek in de archeologie is een voortdurend proces en er blijven voor de nieuwe generatie onderzoekers nog vele ongeverifieerde theorieën en onopgeloste mysteries over.