Bekijk het eens van een andere kant

Als jonge onderzoeker doe je onderzoek in Afrika naar hoe er daar wordt omgegaan met ziektes. Je hebt je thuis in de theorie verdiept en bedacht hoe je het gaat aanpakken. Vol goede moed begin je mensen te interviewen. Tijdens deze gesprekken lijkt er echter iets iets niet goed te gaan. Bepaalde zaken worden vermeden. Je voelt dat er iets fout is, maar je komt er niet achter wat. Wat doe je dan? Ga je dan door met je oorspronkelijke onderzoeksvraag, of wil je uitzoeken wat dat “iets” nou precies is? Volgens prof. Reis moet je op je gevoel afgaan. “Dat wat niet prettig voelt, daar moet je op focussen. Dat wat niet werkt, daar kan je verwachten dat er dingen gebeuren. ” Reis is medisch antropoloog en door haar onderzoek ervaren in hoe je het beste met verrassingen tijdens het onderzoeksproces om kan gaan. Onverwachte wendingen kunnen op elk moment tijdens het proces plaatsvinden: thuis, in het veld of bij de verwerking van de data.
Het meeste wat wij lezen of horen over wetenschappelijke onderzoek zijn de geweldige ontdekkingen en de grote implicaties die ze hebben voor de toekomst. Wat we echter weinig lezen is hoe het proces van onderzoek verloopt. Over de momenten, wanneer het allemaal niet zo geweldig lijkt te zijn, wanneer er andere zaken lijken mee te spelen die van tevoren niet waren ingecalculeerd, horen we bijna niets. Terwijl het juist erg interessant is om te weten hoe de onderzoekers op die momenten handelen. Daarom hebben wij een interview gehouden met professor Ria Reis, hoogleraar medische antropologie, over onverwachte wendingen en problemen tijdens het onderzoeksproces in haar vakgebied.
 
Kleine mensen, kleine vragen
 
Het begin van elk onderzoek is het opstellen van een onderzoeksvraag. Dit is ook al meteen het moeilijkste deel van onderzoek in de sociale wetenschappen. In sociale wetenschappen onderzoek je namelijk een probleem niet in een proefopstelling, maar in het gewone leven. Je kunt datgene wat je wilt onderzoeken, niet zomaar isoleren uit zijn context. Waar eindigt deze context immers? Hoe kun je een specifieke vraag maken, wanneer alles eromheen belangrijk is? Hiervoor moet je het onderwerp beterbegrijpen en weten wat er al onderzocht is.
Het bestuderen van onderzoeken die al eerder zijn uitgevoerd is de eerste stap van je onderzoek. Je bouwt namelijk altijd voort op eerdere vragen en bevindingen, of in de woorden van professor Reis: “Wij staan altijd op de schouders van anderen.” De tweede stap is je realiseren dat je onderzoek maar klein is. Het is onmogelijk een grote vraag in één keer te beantwoorden. Een grote vraag moeten wij beantwoorden met allemaal kleine onderzoeken. “Het doel van deze onderzoeken”, zegt professor Reis, “is niet het zoeken naar een specifiek antwoord, maar naar een antwoord dat kan leiden tot andere vragen.” Andere onderzoeken kunnen dan ook weer voortbouwen op jouw onderzoek. Je moet dus je onderzoeksgebied verkleinen. Je doet bijvoorbeeld geen onderzoek naar iedereen met HIV, maar slechts naar de kinderen met HIV, en dan weer verder toegespitst op hoe de kinderen met HIV worden behandeld op school enzovoorts. Op deze manier verfijn je vraag tot iets wat haalbaar is om te onderzoeken in een beperkt tijdsbestek. zijn “wij”? is dit een citaat?)
 
Weet wat je vraagt
 
Voordat je eraan toe komt om je onderzoeksvraag op te stellen heb je al veel research gedaan, maar dit is nog niet genoeg om het veld in te gaan. Als we de onderzoeksvraag hebben, moeten we verder definiëren wat deze precies inhoudt. Als je bijvoorbeeld wilt onderzoeken hoe kinderen met HIV omgaan met stigma's op school, snijd je in feite vier onderwerpen aan: kinderen, HIV, stigma's en school. Bij onderzoek naar kinderen loop je al snel tegen het probleem aan dat veel gedragsmodellen zijn gebaseerd op volwassenen. Aanvullende gesprekken met bijvoorbeeld kinderpsychologen over hoe kinderen met problemen omgaan, worden daardoor noodzakelijk. De definitie van een stigma is ook onduidelijk. Er zijn twee soorten stigma's: zelf-stigma en echte discriminatie vanuit anderen. Je moet een van deze definities kiezen. Met de vraagstelling die je hebt bedacht, ga je onderzoeksmethodes bedenken. Voor elke deel van de vraag heb je een onderzoeksmethode nodig. Om te weten te komen hoe kinderen zich voelen, is moeilijk. Een gesprek van twee uur met een achtjarige is wat onwaarschijnlijk. Je moet dus andere manieren bedenken om er achter te komen hoe kinderen zich voelen. Je zou aan de leraren kunnen vragen wat zij hebben geobserveerd of de kinderen tekeningen laten maken.
 
Houston, we've got a problem
 
Na alle voorbereidingen kan het veldwerk beginnen. Dat is altijd spannend, want dan zie je de door jou gekozen methodes toepast in de werkelijkheid. Tijdens deze fase van het onderzoek kan het verloop al snel anders gaan dan gepland. Er ontstaat een spanning tussen je verwachtingen en de werkelijkheid. Wat als de theorie niet blijkt te kloppen en de methodes niet toepasbaar zijn? Geen paniek! Daar draait het hele onderzoek in feite om. Verassingen betekenen nieuwe kennis. Het kan soms zo zijn dat het onderzoeksplan dat je hebt opgesteld toch teveel is gebaseerd op theorieën uit de westerse wereld. Deze blijken niet altijd overeen te stemmen met de werkelijkheid in Afrika. In de westerse wereld scheiden wij bijvoorbeeld lichaam en geest, maar in veel andere culturen wordt die scheiding niet gehanteerd. Als je ontdekt dat kinderen met HIV schuldgevoelens hebben in plaats van schaamte, is het misschien nodig om een andere methode te bedenken. Deze cirkel van het hebben van theoretische kennis, het doen van observaties en deze theoretische kennis veranderen herhaal je steeds opnieuw gedurende het hele onderzoek. Het aanpassen van kennis aan je observaties staat volgens Ria Reis aan de basis van veel wetenschappelijk onderzoek. Een ander punt waar onderzoekers tegenaan kunnen lopen is dat bepaalde aspecten van de onderzoeksvraag door de onderzochte personen niet besproken kunnen worden. Soms bestaan er in een bepaalde taal geen woorden voor de termen van de onderzoeker zelf, of hebben mensen niet geleerd hoe ze hun gevoelens op een cultureel acceptabele manier kunnen benoemen. Ook gelden in andere culturen andere normen en waarden, waar je je bewust van moet zijn. Mensen vinden soms dat je ergens niet over hoort te spreken. Gelukkig praat je niet alleen, je observeert ook. Tussen de regels door geven mensen signalen door. Ze zeggen veel meer dan de antwoorden die ze geven. “Als onderzoeker word je gevoelig voor wat mensen je willen vertellen.”

Prof. dr. Ria Reis (1955) is hoogleraar Medische antropologie. Zij studeerde met lof af in Culturele antropologie en nietwesterse sociologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hierna heeft ze als cursusleider voor het Tropen Instituut gewerkt. Ze ontving in 1996 de graad van doctor door haar proefschrift over medische pluraliteit en epilepsie in Swaziland, waar 3 jaar onderzoek in Swaziland aan voorafging. Na deze promotie was ze coördinator van het contractonderwijs van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de UvA en daarnaast respectievelijk onderzoeker bij het Instituut voor Epilepsiebestrijding in Heemstede (1996-1998) en programma manager van Amsterdam Master’s in Medical Antrophology (AMMA) bij het bureau van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de UvA (1997-1999). In 2001 werd Reis universitair docent en vier jaar later universitair hoofddocent. Tegelijkertijd was ze bij de UvA directeur van AMMA, voorzitter van het subprogramma Child Health and Child Agency en PhD-coördinator van het research cluster Health, Care and the Body. In 2009 werd ze tot hoogleraar Medische antropologie benoemd aan de Universiteit Leiden. Het huidige onderzoek van Reis zal zich gaan richten op de Nederlandse situatie, met name op de jeugd. Dit onderzoek zal nuttig zijn voor artsen, de public health sector en geestelijke gezondheidssector. Reis heeft 67 publicaties sinds 1983 op haar naam staan.
 
Ria Reis vertelt als voorbeeld over een onderzoek dat ze begeleidde. Dit onderzoek werd gedaan in Gulu. In dit gebied in Oeganda is de Lord’s Resistance Army zeer actief geweest en heeft er veel leed veroorzaakt. Als gevolg daarvan wonen er veel weeskinderen in zogenaamde child headed households, huishoudens waar kinderen voor elkaar zorgen. De onderzoekster wilde weten hoe deze kinderen met ziektes omgaan. Ze ging ervan uit dat hun grootste zorg malaria zou zijn en had haar onderzoek hierop gericht. Ze merkte daarentegen tijdens het onderzoek dat er een probleem was, waar niemand over wilde praten. “Het ging hier om bewuste processen van silencing waarbij bepaalde dingen niet aan de orde gesteld mochten worden en wij wilden weten waarom.” Om dit te onderzoeken heeft de onderzoeksgroep symbolische korte verhaaltjes, zogenaamde vignetten, ontworpen. Daarin figureerden kinderen, die aan verschillende vormen van verdriet of depressie leden. De kinderen hoefden nu niet over zichzelf te praten, waardoor er veel meer naar buiten kwam. Zo bleek dat de kinderen het egoïstisch vonden om je verdriet te uiten, omdat je bij anderen dan dezelfde emotie opriep. In dit onderzoek kwam een probleem naar voren, maar de oorspronkelijke methode voldeed niet. Daarom werd er een andere methode gekozen, de vignetten. Over de keuzes van nieuwe methodes zegt Ria Reis: “Er is een scala aan kwalitatieve methodes waar je gebruik van kan maken. Je gebruikt de instrumenten waarmee jij je specifieke vraag kan beantwoorden.”
 
Subjectieve werkelijkheid
 
Een kenmerk van dit soort onderzoek is dat het in het echte leven plaatsvindt. Dat is misschien maar goed ook, want de werkelijkheid is veel complexer dan een proefopstelling. Vandaar dat er in dit soort onderzoek ook nooit over proefpersonen wordt gesproken. Onlangs is in een onderzoek aangetoond dat vrouwentranen zorgen voor een verlaging van het testosteron-niveau bij mannen. Deze directe correlatie in een proefopstelling wordt door de bètawetenschap gezien als een vast gegeven. In een sociale context spelen vrouwentranen daarentegen maar een kleine rol in een myriade van omgevingsfactoren. Als sociale wetenschapper ben je op zoek naar het totaalplaatje en kun je deze bevindingen meenemen in je onderzoek, maar gelden ze niet meteen als absoluut. Het blijft echter een belangrijk punt dat je iets nooit helemaal hard kan maken in kwalitatief onderzoek. Ten eerste omdat je er als onderzoeker wel rekening mee moet houden dat jij zelf ook invloed hebt op de mensen die je interviewt. Mensen gaan met je meedenken. Bij het interviewen moeten mensen gevoelens benoemen, die ze zelf misschien niet bewust hadden opgemerkt. Ook willen ze de onderzoeker graag helpen, waardoor ze mogelijk de antwoorden geven waarvan ze denken dat jij die wilt horen. Daarnaast gebruik je je eigen persoonlijkheid als instrument. Als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar woede, moet je wel weten wat woede voor jezelf is. Er is dus een heleboel reflectie nodig om jezelf geschikt te maken als instrument voor het onderzoek. Dat subjectieve wordt door harde wetenschap gezien als iets dat afbreuk doet aan het onderzoek. Maar het is de enige manier om toch vat te krijgen op die complexiteit. Op het moment dat je iemand uit de oorspronkelijke context haalt en tot een proefpersoon maakt is hij immers ook niet meer wie hij was. Het gaat erom dat je die subjectiviteit onderdeel maakt van je analyse, zodat je de invloed ervan kan zien en een ander er een kritische blik op kan werpen. Bij dit reflectieve proces heb je te maken met een soort Droste effect. Iedere analyse die je maakt om de rol van je eigen subjectiviteit te bepalen, moet je vervolgens opnieuw bekijken om je subjectiviteit daarin weer te isoleren, enzovoorts. Daarnaast maak je in kwalitatief onderzoek gebruik van triangulatie: op allemaal verschillende manieren probeer je bevestigingen te zoeken voor jouw hypothese. Tijdens het onderzoek houd je meerdere interviews. Bij een tweede interview vertellen mensen weer meer. Ook leg je je data uit eerdere gesprekken aan de mensen voor. Mensen zijn nieuwsgierig naar wat je hebt gevonden. Ze praten ook over elkaar. Naast de interviews kun je alledaagse gegevens en observaties gebruiken om een antwoord te vinden op je onderzoeksvraag.
 
Koffers uitgepakt
 
Eenmaal thuisgekomen begint de volgende fase van het onderzoek, het verwerken van de gevonden data. Ook hierbij moet je rekening houden met een aantal belangrijke punten. Onderzoekers krijgen door hun eigen achtergrond ook hun eigen denkkaders, waardoor jou werkelijkheid er anders uit kan zien dan die van iemand anders. Denk maar aan de vaas aan het begin: wat zag jij? Om dezelfde reden leidt jij mogelijk iets anders af uit dezelfde data.
 
Medische antropologie
In de medische antropologie wordt er een onderscheid gemaakt tussen de antropologie van geneeskunde – deze is meer beschrijvend- en antropologie in geneeskunde. De laatste is waar het hier over gaat. De antropologie in geneeskunde heeft als doel om de medische praktijk te verbeteren. Er wordt dan met name ingegaan op ziekte en genezen in hun culturele en sociale context. Specifieker gaat het om de invloed van cultuur en maatschappij op de perceptie van mensen met gezondheidsproblemen. Het uiteindelijke doel van medische antropologie in het algemeen is het genereren van kennis om problemen te voorkomen en hierbij wordt er bijzondere aandacht besteed aan kwetsbare groepen en individuen zoals migranten, kinderen en chronisch zieken.
 
Je moet dit soort onderzoek dus niet i n je eentje willen doen. “Samenwerken met studenten is natuurlijk geweldig, want die zijn in nieuwe kaders opgegroeid.’’, aldus Ria Reis. Bij het verwerken en naar buiten brengen van je bevindingen probeer je zo dicht mogelijk bij je onderzoeksvraag te blijven, ook al is die tijdens het onderzoek waarschijnlijk veranderd. “Goed onderzoek zorgt er weer voor dat er nieuwe lijntjes worden uitgegooid naar nieuwe vissen.’’ Je probeert met een scala aan onderzoeksgegevens grotere vragen te beantwoorden, zoals hoe cultuur op het lichaam inwerkt. Dat zijn grote vragen waar je je bij je eigen onderzoek niet direct mee bezig houdt, maar waaraan de resultaten van jouw onderzoek toch bijdragen. “De grote vragen van mijn tijd zijn hele andere dan die van nu. Vroeger waren we veel meer bezig met de verschillen tussen culturen, want er waren nog verschillende culturen. De wereld is tegenwoordig veel meer met elkaar verbonden.’’ Het kernbegrip cultuur is daardoor sterk veranderd; je kunt een cultuur niet zomaar meer afschermen. Aan de andere kant is de globaliserende wereld een cultuur op zichzelf. Er is nu veel meer aandacht voor de manier waarop individuen in staat zijn bij te dragen aan de sociale werkelijkheid. Het wel of niet deelnemen aan globalisering zorgt voor verschillende culturen. De wetenschap van de (medische) antropologie is er een van debat en kritiek, waarin verschillende paradigma’s met elkaar botsen; zo nu en dan verandert onze manier van kijken naar de wereld. In het vak kan achterlopen gevaarlijk zijn. Want wat is de waarde van onderzoek naar stammen wier gebruiken door globalisering inmiddels heel anders zijn geworden of zelfs zijn verdwenen? Verouderd onderzoek is in de antropologie vooral een probleem wanneer we op zoek zijn naar de ‘absolute waarheid’. Eerder vergaarde kennis over deze volkeren is niet meer toepasbaar als waarheid wanneer de wereld verandert. Dit onderzoek kan echter wel bijdragen aan een specifiek paradigma waarin wordt geprobeerd om vat te krijgen op de complexiteit van de werkelijkheid. In eerder uitgevoerd onderzoek is nog steeds veel te lezen dat geldig is. Daarnaast is het van belang te onthouden dat ook in de harde wetenschappen sprake is van een constante vernieuwing van kennis, waarbij onderzoeksresultaten eerst als waarheid worden aangenomen om vervolgens verworpen te worden. Veranderingen van algemene concepten en begrippen van de menswetenschappen kunnen pijnlijk en problematisch zijn voor de onderzoekers die aan de oude concepten blijven vasthouden.
 
Een kloof tussen de wetenschappen
 
Tussen de sociale en de harde wetenschappen zit een kloof: sociale wetenschappen worden te weinig gevoed door de bevindingen uit de hardere wetenschappen en hardere wetenschappen schakelen complexe (sociale) zaken uit. Er kan juist veel van elkaar geleerd worden. Het is daarom belangrijk om de wetenschappen meer met elkaar te laten praten. Een deel van het probleem schuilt in de communicatie tussen de twee soorten wetenschappen: veel sociale wetenschappers zijn echte alfa’s en zijn daardoor niet echt thuis in de taal van harde wetenschappen, denk bijvoorbeeld aan statistiek. Andersom doet dit probleem zich natuurlijk ook voor. Een brug tussen de wetenschappen creëren is onder andere hierdoor moeilijk. Een deel van de kloof kan wellicht overbrugd worden door de medische antropologie. Ook binnen de antropologie zelf zijn er meningsverschillen. Door ‘echte’ antropologen wordt neergekeken op de medische antropologie. Sommige antropologen zijn het er niet mee eens dat medische antropologen hun onderzoek in dienst stellen van medici en op deze manier minder kritisch zijn in hun onderzoek en minder vrijheid hebben om bijvoorbeeld van onderzoeksvraag te veranderen, iets dat zoals eerder gezegd belangrijk is voor antropologen. Medische antropologen doen zo te zeggen water bij de wijn. Financiering Ria Reis merkt dat er de laatste jaren steeds meer sturing optreedt vanuit fondsen en de overheid, die geld beschikbaar stellen voor onderzoek. Het is moeilijker geworden om je onderzoek gefinancierd te krijgen. De concurrentie is groot en we zitten ook nog eens in een financiële crisis. Een voorbeeld van die sturing is dat de farmaceutische industrie met onderzoeksvragen aankomen, waardoor er minder geld beschikbaar is voor het oorspronkelijke onderzoek of voor eventuele vragen die van de studenten komen, die overigens niet minder belangrijk zijn. En juist voor de laatste groep is het moeilijk om hun onderzoek gefinancierd te krijgen. Er wordt minder belang gehecht aan fundamenteel onderzoek, terwijl dit onderzoek cruciaal is voor vernieuwingen en nieuwe denkbeelden. Om toch dit soort onderzoek te kunnen uitvoeren, vragen onderzoekers meer geld aan hun opdrachtgever, zodat ze een eigen potje voor fundamenteel onderzoek hebben. “Opdrachtgevers weten dit en begrijpen wel dat bedrijven en onderzoeksgroepen ook risicovol onderzoek moeten verrichten.”
 
Slinger
 
Op dit moment lijkt het alsof de bètawetenschap de overhand heeft qua financiering. Maar zo simpel zit het niet in elkaar. Professor Ria Reis vergelijkt deze verdeling met een slinger. “We zitten nu in een politieke en economische fase waarin de slinger richting de bètawetenschappen gaat.” Maar ooit, over 5 jaar of over 10 jaar zal de slinger de andere kant op bewegen. Simpelweg omdat alfa-, bèta-, en gammawetenschappen elkaar aanvullen en het niet alleen af kunnen. Het is cruciaal dat deze drie wetenschapsstromingen met elkaar blijven communiceren. Gelukkig zijn er vakken zoals psychologie en aardwetenschappen, waarin de brug tussen alfa en bèta onderstreept worden.