Onderzoek in de moleculaire genetica
De start van een onderzoek
Het onderzoek van dr. Remus Dame, dat nu ergens halverwege is, heeft betrekking op de werking van en verschillen tussen architecturele eiwitten, hun onderling samenspel en hun rol in de regulatie van gentranscriptie (het kopiëren van DNA in RNA) binnen de twee domeinen Archaea en bacteriën. Er zijn in alle drie domeinen van het leven meerdere soorten architecturele eiwitten. De hypothese van het onderzoek is dat hoe verschillend deze eiwitten in de drie domeinen (archaea, eukaryoten en bacteriën) ook zijn, ze altijd uiteenvallen in deze drie klassen: DNA-buigers, DNA-wikkelaars en DNA-bruggers .
Hierbij zijn we bij het eerste belangrijke punt van onderzoek doen aangekomen, namelijk het opstellen van een hypothese. In de moleculaire biologie worden deze hypothesen vooral geformuleerd op basis van eerder onderzoek, vraagstellingen kunnen bijvoorbeeld voortkomen uit onverwachte resultaten of toevallige vondsten uit een eerder onderzoek. Dit neemt niet weg dat het bestuderen van vakliteratuur ook inspiratie tot nieuwe soorten hypothesen kan geven, aldus dr. Remus Dame.
Bij het formuleren van een hypothese moet een onderzoeker een keuze maken tussen twee soorten hypothesen. De eerste soort hypothesen is erg specifiek en van groot belang voor het onderzoek. Het onderzoek heeft dan maar één doel: het aantonen van die hypothese. De tweede soort hypothesen is veel breder, hoogstwaarschijnlijk correct en het onderzoek heeft dan ook niet het hoofddoel om deze hypothesen aan te tonen. Wel vormen zij een goede leidraad voor het onderzoek. Deze hypothesen worden vooral gebruikt in gebieden van de wetenschap waar weinig over bekend is en waarvoor het dus ook moeilijk is een doelgerichte hypothese van de eerste soort op te stellen.
Het mag duidelijk zijn dat de hypothese bij dit onderzoek van Dame van de tweede soort is. De richtlijn is dan ook niet om de waarheid van de in de vorige paragraaf genoemde hypothese aan te tonen, maar meer om te kijken naar de verschillen tussen de drie klassen architecturele eiwitten: ‘Er kunnen onverwachte details tevoorschijn komen’, aldus dr. Remus Dame. Hij gaat onderzoekend te werk en zit niet vast aan een hypothese. Zo verwijst hij met onverwachte details naar het feit dat binnen de domeinen van het leven al tussen de architecturele eiwitten grote verschillen voorkomen en de verwachting dus is dat tussen de twee onderzochte domeinen onderling de verschillen nog groter zullen zijn en dus ‘onverwachte details’ teweeg kunnen brengen. Maar een idee wat deze details exact zijn heeft Dame niet, wel een algemene verwachting.
Architecturele eiwitten
Architecturele eiwitten omhullen de nucleotiden op het DNA. Ze spelen een cruciale rol in de genetica bij onder andere het aflezen van genen (genexpressie) en het kopiëren van DNA (DNA-replicatie). Maar ook bij het compact opvouwen van twee meter lang DNA tot chromosomen van een paar micron en het beschermen tegen externe invloeden, zoals mutagenen en carcinogenen, ter voorkoming van mogelijk gevaarlijke mutaties op het DNA die tot kanker kunnen leiden. Kortom leven, zoals wij dat kennen, zou niet mogelijk zijn zonder deze eiwitten.
Waarborging van kwaliteit
De betrouwbaarheid van onderzoek in de moleculaire genetica wordt door controles gezekerd, bijvoorbeeld door een controlegroep te gebruiken. Bij deze groep worden dan geen variabelen gebruikt uit het onderzoek. Als bijvoorbeeld bij een onderzoek naar een eiwit de werkzaamheid van een enzym wordt onderzocht, maar de gemeten verandering eigenlijk niet aan het enzym ligt, zou het toch aan een niet werkend enzym kunnen worden toegeschreven, als er tenminste een controlegroep was ingezet.
De validiteit van een onderzoek waarborgen is echter moeilijker. Validiteit wil zeggen dat de apparatuur daadwerkelijk de dingen meet, die het zou moeten meten. Het probleem is vaak dat het niet mogelijk is om zonder interventie (ingrijpen) in een systeem onderzoek te doen, en dat beïnvloedt de validiteit van de resultaten sterk. Bij het in vivo bestuderen van architecturele eiwitten wordt bijvoorbeeld vaak het fluorescerende materiaal GFP gebruikt om de eiwitten te labellen, maar in het geval van archaea zou dat geen valide resultaten opleveren want archaea zijn heel klein, waardoor het labellen met het relatief grote materiaal GFP het systeem zou verstoren. Daarom moeten er bij archaea andere methoden gebruikt worden, bijvoorbeeld optische onderzoeken. Dit wordt echter wel vermeld in de publicatie.
Het is verder logisch dat het veranderen van meetapparatuur tussen de metingen door tot niet valide resultaten kan leiden. Andere apparatuur kan namelijk net andere variabelen gebruiken om een meting te verwerken, of bijvoorbeeld een ongewenste correctie over de data uitvoeren. De resultaten, die uit twee typen apparatuur komen, moeten dan telkens naar elkaar vertaald worden. Ook al is dit voor een erg breed onderzoek zoals dit meestal geen probleem, het kost wel geld en extra inspanning van de onderzoeker. We gaan zometeen nog in op de serendipiteit die nieuwe technieken teweeg hebben gebracht in de moleculaire genetica. Serendipiteit houdt toevallige vondsten in, die tijdens een onderzoek zijn gevonden, maar waar in dat onderzoek niet naar gezocht werd.
Genen: Eiwitten of nucleotiden
Technieken
De verbetering van dit soort technieken heeft ook onverwachte resultaten opgeleverd. In de jaren zeventig waren onderzoekers ervan overtuigd dat bacteriën histonen zouden hebben, en zochten deze met elektronenmicroscopen. Later, toen onderzoekers atoomkrachtmicroscopen tot hun beschikking kregen, bleek echter dat bacteriën geen histonen hadden. Als men experimenten had bedacht, ervan uitgaand dat bacteriën wel histonen zouden hebben, zou het onmogelijk zijn geweest te voorspellen tot welke conclusies men was gekomen, maar het is wel bijna zeker dat die conclusies fout waren geweest. Dit is tegelijk ook een voorbeeld van hoe slechte technieken een schadelijk effect kunnen hebben.
Een ander opvallend punt is dat er een soort taakverdeling tussen onderzoeksgroepen binnen de moleculaire genetica schijnt te bestaan. Het ontwikkelen van nieuwe technieken en technologieën wordt namelijk uitgevoerd door onderzoeksgroepen die hebben besloten om zich meer hierop te richten in plaats van onderzoek doen, aldus Dame.
Toepassingen van dit onderzoek
Doordat architecturele eiwitten de structuur van chromosomen kunnen veranderen, hebben ze ook een effect op de toegankelijkheid van het DNA voor eiwitten die een rol spelen bij de gentranscriptie (DNA vertalen in RNA), en beïnvloeden ze dus de gentranscriptie. Door een beeld te krijgen over het bacterieel chromosoom en de koppeling van structurele veranderingen aan globale genexpressiepatronen zou bijvoorbeeld het ontwikkelen van antibiotica, die door genregulatie de pathogeniteit (ziekmakendheid) van de bacterie beïnvloeden, mogelijk worden.
Wetenschappelijke communicatie
Het is ook belangrijk om de eigen ideeën te verspreiden en aannemelijk te maken. Daarvoor is het goed als de onderzoeker vertrouwen heeft in zijn resultaten, tot een zekere hoogte kan daarom tunnelvisie voordelen hebben, aldus dr. Remus Dame. Het bekennen van fouten is echter ook heel belangrijk.
Dergelijke communicatie vindt vooral plaats op conferenties. Deze communicatie kan echter gehinderd worden door het gebrek aan vertrouwen, er is natuurlijk competitie tussen onderzoeksgroepen, en het delen van ideeën kan een onderzoeker ook nadelen opleveren. Publicatie hoort ook ongetwijfeld bij het delen van ideeën. Wij komen daar echter nog later op terug. Eerst behandelen wij samenwerking tussen onderzoekers en onderzoeksgroepen onderling.
Samenwerking tussen labs en verschillende velden
Officiële samenwerking op lab-niveau is beperkt volgens Dame. Veel meer worden afspraken gemaakt met individuele mensen van andere labs, en niet met hele onderzoeksgroepen. Voor het krijgen van subsidies is echter wel samenwerking noodzakelijk; een grote groep wordt namelijk als meer beloftevol beschouwd dan individuele onderzoekers . Verder kan het ook nodig zijn om hulp te vragen bij iemand die een techniek heeft ontwikkeld voor zijn specifieke expertise. Samenwerking met andere disciplines van de wetenschap daarentegen komt steeds vaker voor: onder andere heel vaak met de theoretische natuurkunde, wiskunde of informatica. Samenwerking met theoretische natuurkunde leverde bijvoorbeeld nieuwe resultaten op in een kwestie over de opbouw van het architecturele eiwit H-NS. Informatica is belangrijk voor de verwerking van grote hoeveelheden data, en wiskundigen kunnen nuttig zijn bij het modelleren van processen.
