De ideale wetenschap
Structuur van de wetenschap: Het ideaalbeeld van wetenschappelijk onderzoek
“Wat is het doel van wetenschappelijk onderzoek?” Het meest algemene antwoord hierop is dat men met onderzoek nieuwe kennis wil vergaren en deze toegankelijk wil maken voor iedereen. Binnen het algemeen heersende ideaalbeeld van wetenschappelijk onderzoek probeert de wetenschapper - Iemand die belangeloos, onbevooroordeeld en objectief is en openstaat voor de toevallige aspecten van onderzoek- ons met zijn of haar kennis steeds een stapje dichter bij de waarheid te brengen. Hij moet hiervoor van de bestaande koers durven afwijken en zo komen tot een objectieve waarheid. Wetenschappelijk onderzoek is op deze manier in schema te brengen zoals in de figuur zichtbaar is. Maar is dit beeld niet een geromantiseerde versie van de realiteit? Samen met classicus C.C de Jonge keken wij naar de verschillen tussen wetenschappelijke ideaalbeelden en de realiteit.
We beginnen met enkele ideaalbeelden die zich in de laatste eeuw ontwikkeld hebben, zoals het logisch positivisme. Het logisch positivisme is in de jaren twintig ontstaan in Wenen en is een gedachtestroom die uitgaat van kennis op basis van waarnemingen. Het logische positivisme vindt zijn oorsprong bij een groep filosofen beter bekend als de Wiener Kreis.
Vóór 1900 besteedde men weinig tijd aan de juistheid van kennis, men geloofde simpelweg dat bestaande onderzoekstheorieën betrouwbaar waren. In het begin van de 20e eeuw begon men meer te twijfelen aan de ratio van de mens, voornamelijk door het opkomen van nieuwe theorieën zoals de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. Beide theorieën wierpen een nieuw licht op bestaande theorieën. Veel kennis die voorheen als wetenschappelijke kennis werd beschouwd, bleek niet langer kloppend. Men ging hierdoor meer nadenken over hoe wetenschappelijke kennis tot stand moest komen om zo juistheid te verzekeren.
De leden van de Wiener Kreis meenden dat wetenschappelijke kennis voortaan alleen nog voort moest komen uit het empirisme. Het achterliggende doel van deze onderzoeksmethode is om de wetenschap tot eenheid maken. Volgens het logisch positivisme kan kennis alleen voortkomen uit stellingen die op waarnemingen gebaseerd zijn. Met behulp van tautologieën van logica en wiskunde kan de kennis vervolgens verder uitgebreid worden. Zo ontstaat er een grote eenheid, die volgens logische redeneringen verbonden is. Echter, deze manier van denken sluit niet aan bij niet-empirische uitspraken van metafysica, ethiek en theologie. Deze uitspraken gaan over niet-waarneembare zaken en kunnen volgens het logische positivisme dus niet als wetenschappelijke kennis worden beschouwd.
Het zou natuurlijk ideaal zijn als alle wetenschappelijke kennis gebaseerd kon worden op empirische waarnemingen en logica. Helaas is dit niet voor alle onderwerpen uit de wetenschap mogelijk en daardoor ontstond er ook veel kritiek op deze filosofie. Deze kritiek kwam onder andere van Ludwig Wittgenstein en Karl Popper. Wat ons brengt naar een tweede ideaalbeeld. Dat van Karl Popper.
Karl Popper was een Oostenrijkse wetenschapsfilosoof geboren net na de eeuwwisseling in Wenen. Hij bracht het grootste deel van zijn leven door in Londen, waar hij doceerde aan de London School of Economics en de University of London, en stierf in 1994.
Karl Popper meende dat theorieën binnen het logisch positivisme te eenvoudig aanpasbaar waren om zo toch weer tot een waarheid omgebogen te kunnen worden. Dr. De Jonge noemt hierbij het voorbeeld- hoewel ietwat gesimplificeerde weerspiegeling van de werkelijkheid- van Sigmund Freud. De Oostenrijkse psycholoog beweerde dat mannen in hun liefdesleven altijd op zoek zijn naar de moederfiguur. Echter, wanneer men Freud voor de voeten wierp juist helemaal niet op zoek te zijn naar zijn moeder, maar juist naar haar tegenbeeld, wist Freud zich uit deze penibele situatie te redden door zijn theorie aan te passen. Hij meende dan bijvoorbeeld dat mannen juist de liefde voor hun ouder proberen te ontvluchten door deze te vermijden. De zoon was dus wel degelijk op zoek naar zijn moeder.
Daarom meende Popper dat theorieën op een dergelijk wijze geformuleerd moesten worden, dat een tegenvoorbeeld van de theorie de theorie ongeldig zou verklaren.
Hiervoor ontwikkelde hij een stappenplan waaraan een theorie moest voldoen:
-
Een theorie moest in één basiszin geformuleerd worden. Laten we als voorbeeld het volgende nemen: Alle zwanen zijn wit.
-
De theorie moet nu onjuist verklaard kunnen worden, dit noemde Popper het falsifiëren van een theorie. Vandaar dat Popper zo veel waarde hechtte aan een helder geformuleerde basisthese: Geen vervelende freudiaanse worsteltypes.
Als we ons voorbeeld van de zwanen doortrekken, zouden we bijvoorbeeld kunnen beweren dat onze stelling onjuist is gebleken, als we plotsklaps een zwarte zwaan tegen het lijf lopen. De theorie is dan gefalsifieerd door empirisch bewijs.
-
Nu wij daadwerkelijk een zwarte zwaan zien ronddobberen in onze vijver, kunnen
we de originele basiszin als onjuist afwijzen.
Deze manier van wetenschap bedrijven is voordelig, omdat het tot redelijk overzichtelijke, duidelijke conclusies leidt, maar biedt ook mogelijkheid tot expansie. Wanneer wij ervan uitgaan dat een basiszin juist is, tot het tegendeel bewezen is, kunnen wij op deze kennis voortborduren in onze verdere missie het universum te ontrafelen.
Een laatste ideaalbeeld van wetenschap vinden we bij wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, die veel geschreven heeft over de geschiedenis van de wetenschap en over bepaalde fenomenen in de sociologie. Kuhn dacht dat kennis zich niet ontwikkelde langs een voortdurende gestage lijn, maar door middel van veranderingen van paradigma’s. Het stappenplan van deze kijk op de ontwikkeling van kennis is als volgt:
-
Pre-wetenschap: er is nog geen wetenschaprichting die zich bezig houdt met een bepaald gedeelte van kennis.
-
Normale wetenschap: er is een paradigma ontstaan over het eerder onbekende gedeelte van kennis dat wetenschappers gebruiken als kader voor hun onderzoek.
-
Crisis: er gaan stemmen op binnen de wetenschap die het paradigma zelf betwijfelen. Er is sprake van anomalieën oftewel onverklaarbare gevallen. Men raakt er langzamerhand van overtuigd dat er een incompleet of onjuist paradigma is.
-
Revolutie: er wordt een nieuw paradigma ingesteld. Er is een nieuwe normale wetenschap.
Volgens Kuhn herhaalt dit stappenplan zich periodiek en komt het in alle richtingen van wetenschap voor. Een goed voorbeeld van een tak van kennis waar nu discussie plaats vindt over het gebruikte paradigma is taalkunde. Chomsky creëerde met zijn theorie van de Universele Grammatica een paradigma voor taalkundig onderzoek. Hij stelde daarin dat er bepaalde universele bouwprincipes zijn die in elke taal voorkomen. Er wordt nu door sommige wetenschappers getwijfeld aan dit paradigma, omdat ze menen talen te hebben gevonden die niet aan één of meer van deze bouwprincipes voldoen. Het is nog niet zeker of deze discussie uiteindelijk gaat leiden tot een collectieve paradigmawisseling, omdat er ook veel tegenargumenten zijn voor deze ontkrachting van Chomsky’s theorie.
De door ons geïnterviewde classicus vertelde zelf ook over paradigmawisselingen binnen de wetenschap van de klassieke talen. Een concreet voorbeeld hiervan is het feit dat wanneer er een nieuwe klassieke tekst wordt gevonden het heersende paradigma over de cultuur in de klassieke tijd kan veranderen. Vaak zijn dit niet wijzigingen in het gehele paradigma, maar worden kleine delen van het paradigma aangepast en verfijnd.
Complicerende factoren in de praktijk
Toch blijken ideaalbeelden in de praktijk vaak minder goed toepasbaar en komt met in de knoop met de soms te concrete omschrijvingen. Voor een vergelijking tussen de praktijk en het ideaal bekeken we complicerende factoren in het wetenschappelijke onderzoeksproces voor een classicus.
Uitgaande van wetenschap = empirische kennis + logica komt een classicus al een eerste complicerende factor tegen. Waarneming en interpretatie in de geesteswetenschappen worden vaak gedaan met behulp van eeuwenoude bronnen. Veel teksten zijn gekopieerd, waarbij de kans op fouten groter wordt. Daarbij kan de originele tekst worden aangepast naar mening van de ‘nieuwe schrijver’. Hierbij moet rekening gehouden worden met het verschil in paradigma’s zoals Kuhn al schreef.
Een tweede probleem is de overtuiging dat de wetenschap een gestaag groeiend proces is. Mensen in verschillende tijden bekijken wetenschap vanuit een ander perspectief (paradigma). Het idee dat wetenschap vooruit moet gaan kan betekenen dat de nadruk op vernieuwing een objectieve uitkomst van een onderzoek in de weg zit. Ofwel: Vooruitgangsdenken + nadruk op vernieuwing = vooringenomenheid. Men wordt namelijk geacht nieuwe informatie te brengen dus is men van te voren eigenlijk al bevooroordeeld. Het gevaar hierbij is, dat we niet open staat voor andere informatie en dat de uitkomst van te voren eigenlijk al vast staat. Zo ondervond ook C.C. de Jonge toen hij in Leuven als promovendus opzoek was naar een onderzoeksplaats. Klaar om het onderzoek te beginnen ontving hij het onderzoeksvoorstel waarin elk hoofdstuk met vraag en antwoord al vermeld werd.
Identificatie met eigen materiaal
Als je lange tijd met een onderzoek bezig bent, is het soms moeilijk los te komen van je werk en het weer van een afstandje, objectief, te bekijken. Een goede wetenschapper moet dit wel kunnen, conform het ideaalbeeld van de wetenschapper.
Een ander gevaar van het voortdurend met een onderwerp bezig zijn is de sleur. Het verzamelen en structureren van gegevens kan jaren duren waardoor de focus makkelijk verdwijnt. Daarbij weet men in het begin nog niet hoe alles in te delen valt en lijkt al het werk zonder einddoel te zijn. Het is dan erg lastig om gemotiveerd te blijven aldus De Jonge. In het tweede jaar van zijn onderzoek zat hij in een dergelijke zelfde sleur waarbij het gevoel overheerst geen vooruitgang te boeken. Gelukkig schreef hij een kort artikel over een vergelijking tussen de didactiek van de retorica nu en hoe men in de oudheid retorica doceerde. Hiermee won hij een prijs. Het geldbedrag dat ermee gemoeid was, was verwaarloosbaar. Maar het was wel “een mooi zetje in de rug waardoor je weer even weet dat het goed is waar je mee bezig bent.”
Planning
Daarbij is planning ook een belangrijke factor. Een deadline en discipline zijn daarom een vereiste. Continue publicatie is belangrijk voor de ontwikkeling van wetenschap. Het kan daarom handig zijn grote projecten op te delen in kleinere onderzoeken. Toch kan een te strakke planning tevens een complicerende factor zijn. Er moet immers ruimte blijven voor spontaniteit in het onderzoek. Een te lang durend onderzoek kan bovendien leiden tot concurrentie. Zo merkte De Jonge tijdens het verzamelen van informatie voor zijn onderzoek dat er tegelijkertijd iemand met hetzelfde bezig was. Na wat correspondentie bleek dat beiden een onderzoek deden dat in grote mate overeen kwam. Hierdoor ontstond een race tegen de klok om het werk te publiceren, anders was de uitkomst wellicht niet meer vernieuwend en het onderzoek nutteloos. Gelukkig was De Jonge op tijd met zijn publicaties en heeft de andere onderzoeker haar bevindingen nooit gepubliceerd, waardoor het werk van De Jonge waardevol bleef.
Systeem van financiering van het onderzoek
Een laatste factor is de wijze van financiering en beoordeling. Onderzoeken worden gefinancierd door een sponsor, grote bedrijven die geld willen investeren in onderzoeken, of door NWO, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Omdat geesteswetenschappen in tegenstelling tot bètafaculteiten niet zo populair zijn bij sponsoren, moet een classicus het onderzoek proberen gefinancierd te krijgen door NWO. Als men een onderzoek wil laten financieren moet je bij NWO een aanvraag indienen met het plan van het onderzoek dat je wilt gaan doen. Hoe duidelijker het plan is, hoe eerder het onderzoek gefinancierd wordt. Op deze manier heeft NWO meer zekerheid van goede resultaten. Maar omdat men bij NWO gericht is op vernieuwende resultaten wordt een wetenschapper gedwongen vernieuwend te zijn, terwijl het soms ook goed is dat niet te zijn.
Als men een onderzoek indient wordt dat beoordeeld door twee collega’s uit hetzelfde vakgebied. Deze wetenschappers kijken of het onderzoek juist is en staan daarna garant voor het beoordeelde onderzoek. Maar volgens De Jonge bestaat er, zeker binnen de geesteswetenschappen, een grote kans dat deze collega’s hetzelfde hebben onderzocht en een eigen kijk hebben op het onderwerp. Een totaal andere hypothese kan daardoor bij voorbaat als onjuist worden beschouwd.
Ook probeerde men verleden jaar de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de wetenschap te veranderen. Na een selectie voor een onderzoeksplaats eindigde De Jonge helaas op een 14e plek terwijl de nummers 1 tot en met 13 een plek toegewezen kregen. Het was daarom extra zuur toen de raad besloot zijn vrouwelijke concurrentes op nummer 15 en 16 wel een plek toe te wijzen om zo de verhouding tussen mannen en vrouwen evenwichtiger te maken. De Jonge vertelde niets tegen meer vrouwen in de wetenschap te hebben “maar als je er zelf de dupe van wordt is het toch wel even slikken.”
“Wat is het doel van wetenschappelijk onderzoek?” Een vraag die nog vaak gesteld zal worden in de wetenschap. Een juist antwoord op deze vraag lijkt nog niet gevonden. Vele ideaalbeelden komen niet overeen met de realiteit en zijn niet toepasbaar in de praktijk. Meevallers, tegenvallers en onverwachte wendingen lijken niet vastgelegd te kunnen worden in algemene regels. Wel staat vast dat de waarde van wetenschappelijk onderzoek, ondanks het ontbreken van een concreet verwoord doel niet vermindert.