Afrikaanse taalkunde onder de loep

Het is een regenachtige donderdagmiddag als we met vijf leerlingen samenkomen bij de Faculteit der Geesteswetenschappen van Universiteit Leiden. We zijn te laat, maar professor Maarten Mous is toch nog in gesprek; hij heeft een drukke baan.

Naar Tanzania en weer terug

Wij zijn hier om professor Mous te interviewen over de manier waarop onderzoek wordt gedaan binnen zijn vakgebied. Maar voordat we hem bombarderen met vragen over zijn onderzoek, vragen we of hij eerst wat over zichzelf wil vertellen. Als hoogleraar in de Afrikaanse taalkunde doet hij niet alleen onderzoek naar uitstervende talen, maar leert ook aan studenten hoe zij dit moeten doen. Hij is zelf echter niet als taalkundige begonnen. Na de middelbare school ging hij wiskunde studeren, met het idee dat het een simpele studie zou zijn. Dit bleek helaas tegen te vallen, en bovendien vond hij het niet echt leuk. Via een omweg kwam hij vervolgens terecht bij de Afrikaanse taalkunde, wat hij in de eerste instantie slechts als bijvak had gekozen.

Na het afsluiten van zijn studie heeft hij voor zijn promotieonderzoek de grammatica van Iraqw, een taal uit Tanzania, beschreven. Hiervoor verbleef Mous zelf in Tanzania voor veldwerk, wonend in een tent tussen het volk. Na dit onderzoek heeft hij twee jaar voor de universiteit van Bayreut (Duitsland) onderzoek gedaan naar Afrikaanse taalkunde, om vervolgens aan het werk te gaan als universitair docent aan de afdeling Afrikaanse taal en cultuur in Leiden. Van 1998 tot 2006 was hij co-redacteur van het blad Journal of African Languages and Linguistics. Daarnaast heeft hij in 2001 als gastonderzoeker gewerkt bij het Max Planck instituut in Leipzig. In 2003 en 2006 was hij wederom in het buitenland actief, eerst bij de universiteit van Nice en drie jaar later bij het Research Centre For Typology, gekoppeld aan de universiteit van Melbourne. In Juni 2004 is hij professor geworden in de Afrikaanse taalkunde in Leiden. Tegenwoordig geeft hij veel college in verschillende vakken rondom de Afrikaanse taalkunde, waaronder ‘Talen en Culturen van Afrika’, ‘Tekstanalyse en Vertaling’ en ‘Taalkundig veldwerk’.

Professor Mous vertelt ons enthousiast over zijn vakgebied. Dit biedt achtergrondkennis die toch wel zeer belangrijk is voor ons begrip van de Afrikaanse taalkunde. “Er zijn ongeveer 6000 talen in de wereld,” begint Mous, maar hij wordt vrijwel meteen onderbroken: “Zó veel? Zoveel landen zijn er niet eens!” Hij lacht: “Nee, nee, nee. In de meeste landen wordt veel meer dan één taal gesproken. Het is ook niet evenredig verdeeld: als je kijkt naar een kaart met stipjes, met per taal een stip, dan zie je dat er veel meer in het zuidelijk halfrond van de wereld worden gesproken dan in het noordelijk halfrond.” Dat klinkt logisch. We noemen Rusland als voorbeeld – zou staatsvorming een oorzaak van deze ongelijkheid kunnen zijn? Niet echt, volgens Mous. Er zijn in Rusland juist vrij veel lokale talen, omdat er altijd een taalpolitiek is geweest die eigen talen heeft bevorderd. Leuk detail: Stalin was een taalkundige! In China en Europa worden relatief weinig verschillende talen gesproken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nieuw-Guinea en veel landen in Afrika. Slechts een klein deel van de Afrikaanse talen is pas beschreven, dus we begrijpen goed waarom professor Mous het altijd zo druk heeft.

Het achtervoegsel “-Oh”
Nu we wat meer weten over professor Mous en zijn carrière, zijn we toch wel benieuwd naar de manier waarop hij te werk gaat. Allereerst is de vraag: Hoe komt een onderzoek precies tot stand?

Allereerst zijn we benieuwd naar BABEL, een uitgebreid project waarmee Mous de afstand tussen de beschrijvende en theoretische taalwetenschap wil verkleinen. “Het is een beetje een rare situatie, dat je op basis van het kleine aantal talen dat daadwerkelijk beschreven is ideeën vormt van wat taal in zijn algemeenheid is. Dat is net alsof je denkt een beeld te hebben van biologie, terwijl je weet dat je nog maar tien procent van de plantjes of de dieren gezien hebt. En als je dan in sneltreinvaart zoveel mogelijk van die andere ‘species’ bekijkt, kan dat repercussies hebben over hoe jij vindt dat taal in elkaar zit. Dat was dus het doel van het project: niet alleen bedreigde talen bestuderen, maar ook invloed hebben op het denken over taal.”

Professor Mous was hoofdaanvrager van BABEL, maar hij benadrukt dat het geen onderzoek is, maar een thema. Uiteindelijk worden er door wetenschappers uit heel Europa voorstellen ingediend. Daarmee kunnen zij geld binnenhalen voor hun onderzoek. Zo is hij nu bezig, in samenwerking met andere wetenschappers, met een project over gebarentaal. “Gebarentaal?” vragen wij verbaasd. Dat lijkt ons toch wel iets anders dan zijn gangbare onderzoek. Hij legt uit dat gebarentaal een volwaardig communicatiemiddel is, dat lokaal onstaat en waarvan dus vele varianten zijn; precies zoals bij andere taalsoorten.

Daarnaast vertelt hij ons over een onderzoek waar hij recentelijk mee is gestart: een onderzoek naar het achtervoegsel “–oh” in het Iraqw, een taal uit Tanzania. Afgelopen weekend had hij het moeten inleveren maar, “deadlines zijn er om gebroken te worden,” grapt Mous. Over dit achtervoegsel, dat in het Iraqw veel verschillende functies heeft, is al veel bekend maar zijn doel is om de regels te veralgemenen. De informatie erover had hij al lang liggen; met het onderwerp heeft hij al meer gedaan en het idee speelde al jaren door zijn hoofd. Pas recentelijk heeft hij besloten om er weer iets mee te doen. Hier heeft hij geen extra veldwerk voor gedaan; hij gebruikt vooral wat hij nog aan informatie had liggen. Vaak begint hij ook aan een onderzoek om het pas veel, soms zelfs jaren, later af te maken. Wanneer hij er weer aan herinnerd wordt, tot nieuwe inzichten komt of het voor iets anders – bijvoorbeeld een lezing – kan gebruiken.

Mous krijgt regelmatig opdrachten aangeboden, maar hij benadrukt dat persoonlijk interesse voor hem de echte drijfveer is voor het starten van een onderzoek. Mous: “Het is veel individueel werk, dus het belangrijkste is dat het leuk blijft voor de onderzoeker. Het moet zeker niet geforceerd aanvoelen.”

Problemen? Wat zijn dat?

Meerdere keren vragen wij of Mous problemen tegenkomt in zijn vakgebied, bij het uitvoeren van zijn onderzoek.“Eigenlijk niet,” antwoordt hij. Dat klinkt onwaarschijnlijk, dus we vragen nog even door. Toch blijft hij erbij dat er nauwelijks problemen optreden. “Bovendien,” voegt hij er aan toe, “als er wel ‘incidenten’ plaatsvinden, maken die het juist interessant. Wanneer je als taalwetenschapper iets tegenkomt wat je totaal niet had verwacht, geeft dat juist een nieuwe uitdaging. Je gedachtegang was dan ‘fout’, maar dat leidt weer tot nieuwe ideeën!”

De hoogleraar geeft een voorbeeld van een verassende kwestie die hij ooit is tegengekomen: de taal Mbugu en de mengtaal die daarvan afhankelijk is. Het Mbugu-volk in Tanzania spreekt op het eerste gezicht twee verschillende talen, maar toen wetenschappers deze talen gingen bestuderen, kwamen ze er echter achter dat de ene mengtaal afhankelijk was van het Mbugu.
“Zonder het Mbugu kon de mengtaal niet bestaan: de grammatica was hetzelfde, evenals het woordgebruik. Dit was iets totaal nieuws voor ons.” Zo’n wending in het onderzoek, betoogt hij, leidt tot nieuwe invalshoeken, die op hun beurt weer tot andere onderzoeken kunnen leiden.

Loopt het onderzoek dan nooit vast? Nee, zegt hij; eigenlijk komt een taalwetenschapper altijd wel ergens op uit, zelfs al is het niet wat hij had verwacht. Soms moet de vraagstelling iets worden aangepast om meer inzicht te krijgen in de taal, maar dan wordt er wel een resultaat gevonden. Eigenlijk hoeft hij ook nooit het roer totaal om te gooien. Dat komt misschien ook wel door de manier waarop hij zijn onderzoeken aanpakt, namelijk door middel van trial and error. Hij gaat stap voor stap te werk. Lukt iets niet? Dan zet hij even een stapje terug en probeert een andere aanpak. Zo komt hij uiteindelijk altijd door de vraagstelling heen.

Gluren bij de buren

Met zijn eigen werk ondervindt professor Mous geen echte problemen. Hoe zit het dan als andere mensen erbij worden betrokken? En ja, eindelijk: complicaties. Of in ieder geval hindernissen waar hij rekening mee moet houden. “Ja, je werkt natuurlijk wel met mensen,” zegt Mous. “Veel kennis over talen krijg je door met de lokale bevolking erover te praten. Wat ik in de loop van de tijd heb geleerd, is dat de manier waarop je vragen stelt heel erg bepalend is voor de nauwkeurigheid van je resultaten. Als je bijvoorbeeld een vraag als ‘Is het zo dat dit voorzetsel dit betekent?’ stelt, is het erg makkelijk voor de ondervraagde om ‘ja’ of ‘nee’ te antwoorden, zelfs als diegene de vraag niet goed begrijpt. Ik vertel daarom ook altijd aan mijn studenten dat ze ja/nee-antwoorden moeten voorkomen. Vraag dan liever: ‘Wat betekent dit voorzetsel?’, dan wordt de ondervraagde gedwongen om zelf een antwoord te formuleren.”

Mous werkt wel eens samen met andere taalkundigen en collegiale bijsturing is niet ongewoon; door commentaar van anderen kan hij op nieuwe ideeën en inzichten komen. Maar veel directe samenwerking is er niet. Ook competitie is er nauwelijks in de taalkunde. Wetenschappers controleren goed wie wat doet, dus het is geen strijd om als eerste met een belangrijke ontdekking komen. Ter illustratie vertelt Mous over een promovendus die hetzelfde onderzoek wilde gaan doen als hij, over het Iraqw. Op het aanraden van de professor heeft hij toen een ander onderwerp gekozen.
Verder is er natuurlijk een constante ontwikkeling van kennis. Nieuwe ontdekkingen over een bepaalde taal kunnen helpen bij een onderzoeken naar een andere taal. In die zin hebben taalkundigen elkaar zeker nodig.

Ten slotte zijn we benieuwd naar zijn kijk op de samenwerking tussen de verschillende discipines. In hoeverre zijn er verschillen tussen alpha- en bètawetenschappen? “Ik geloof niet in een echt onderscheid tussen alpha- en bètawetenschappen,” antwoordt Mous. “De belangrijkste verschillen zijn tussen beschrijvende en theoretische onderzoekers.” Hij is zelf ook wiskundige, dus hij kan zijn wiskundige kijk goed toepassen binnen de taalkunde. Maar: “wiskunde is wel veel abstracter!”

Uit zijn ervaringen blijkt dan ook dat er geen duidelijke grens is tussen de verschillende disciplines: taalkunde en natuurkunde lijken, onderzoektechnisch gezien, ontzettend op elkaar. De verschillen liggen meer in de manier waarop wetenschappers het onderzoek aanpakken: blijven ze achter hun bureau zitten om theorieën te bedenken of gaan ze zelf naar Afrika toe om praktische ervaring op te doen?

Doen wat je leuk vindt

Het interview loopt inmiddels ten einde, maar we hebben het afgelopen uur een hoop geleerd. Bij het onderzoeken van talen kan er weinig echt fout gaan, dus een onderzoek is vooral afhankelijk van je eigen instelling als onderzoeker. “Je moet vooral doen wat je leuk vindt!” benadrukt professor Mous nogmaals. Nieuwsgierigheid is echt onmisbaar bij dergelijk onderzoek. Als taalkundige moet je vreemde talen en culturen echt willen bestuderen en beschrijven, en die rol is zeker niet voor iedereen weggelegd. Met deze gedachten in ons achterhoofd verlaten wij het kantoor. “Weer een mysterie opgelost”, denken wij trots als we weer de regen in lopen.